Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Dat spreekt van zelf, waarom anders zoo geheimzinnig gehandeld, om mij op een afzonderlijke plaats te willen spreken? doch ik heb haast, spoed u dus met mij mede te deelen hetgeen gij mij te zeggen hebt; want ik moet dezen avond nog op de hoeve....

„Van Bato," viel Charietto den spreker in de rede.

„Juist geraden, Charietto!'"

„Maar het is toch niet om hem, dat gij derwaarts gaat.

Lupus bloosde.

„Neen, ik weet het," vervolgde Charietto, //en juist wenschte ik u over uw bezoeken op de hoeve te spreken. — Antwoord mij openhartig, Lupus! waarom gaat gij schier eiken dag naar Bato? is het om hem of om Neha?"

„Waarom het u ontveinsd," sprak Lupus openhartig, „het is om Neha, om haar te zien en den zoeten klank harer stem te hooren, dat ik mij zoo vaak mogelijk op de hoeve haars vaders bevind.'"

„Gij bemint haar dus?"

„Of ik haar bemin! kunt gij mij zulks nog vragen, Charietto? wie, die hare schoone blauwe oogen en de donkerblonde haarlokken, die zoo bevallig langs den sneeuw witten hals nederdalen, aanschouwd heeft, voelt niet een gevoel in zijn binnenste ontbranden, dat zich niet zeggen laat; maar dat smartelijk en aangenaam tevens is!"

„Maar bemint zij u, Lupus?" vroeg Charietto, den jongeling op een verschrikkelijke wijze aanstarende, //bemint, zij u? weet zij, dat gij haar bemint? hebt gij haar nooit gezegd, dat zij schoon was? Spreek; Lupus! bij de Goden! zeg mij alles en lieg niet."

Sluiten