Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«Liegen," riep Lupus, «kunt gij mij zoo iets zeggen, Charietto! daar gij mij kent? Doch ik heb haar nog nooit over mijn liefde gesproken; ook weet ik niet, of zij zoo goed, zoo schoon, inij, Lupus, zoude kunnen liefhebben; maar eer de maan gindsche beukenboomen verlicht, zal ik haar alles openbaren, nog

dezen avond..,

«Neen, bij Thor! dat zult gij niet!" riep Charietto, vau den steen afspringende, waarop hij gezeten was, //neen! neen, Lupus! neen gij zult haar niets zeggen want nimmer zal zij de uwe zijn, nimmer; want ik bemin haar. Hoort gij, Lupus? ik bemin ÏSeha, en mij en niemand anders zal zij toebehooren, mij en niet u, Lupus, de wolvendooder!

,/Charietto!" riep Lupus, „even vurig als gij, bemin ik haar, beiden kunnen wij haar niet bezitten, doe dus afstand van haar, Charietto! en vijf mijner beste ossen

zal ik u geven."

„Vijf," herhaalde Charietto schamper lachende; ^neen, Lupus! gij zijt nog een kind, ik ben ouder dan gij, mij zal zij toebehooren en niemand anders.'

//Dan moet slechts een van ons beiden deze plaats verlaten," riep Lupus, het breede lemmer, dat hij tusschen den gordel droeg, te voorschijn halende, ,/een van ons beiden moet vallen, en Neha behoort den overwinnaar toe!"

Lupus was bij deze woorden van den steen afgesprongen, en stond daar met fonkelende oogen het staal zwaaiende voor Charietto, die behoedzaam eenige schreden ter zijde geweken was.

Hoe schoon was de jongeling in dat oogenblik, als de God des krijgs stond hij daar , elk lid van zijn

Sluiten