Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

koorlijke Lezeressen! gesteld, de jongeling braaf en edel, doch ontdaan van schoonheid, wordt voor den losbandigen, maar bevalligen man verworpen; de schoone vlinder, lichtzinnig als zijn schoon vergankelijk is, heeft u aan zich geboeid. — Wie zoude al de tranen, de tranen van berouw kunnen tellen, die door zoo menig vrouwenoog geschreid zijn, wanneer zij aan de schoonheid des eenmaal hartochtelijk beminden mans gewoon, hem te laat in zijn ware gedaante leeren kennen — te laat! te laat — vreesselijk woord!

Charietto heeft thans de hoeve bereikt, maar kan dezelve niet binnentreden; want niet alleen een van teenen gevlochten deur, die zich in de omheining bevindt, verhindert hem zulks; maar een paar honden, die ongeketend op de werf rondloopen, grimmen hem aan op eeue wijze, die allesbehalve gastvrij is.

Echter had de eigenaar der hoeve zorg gedragen, dat wie hem mogt komen bezoeken, zijn tegenwoordigheid hem te kennen konde geven, door aan den ingang van de werf een grooten ossenhoorn aan een ijzeren ketting te bevestigen, welke de plaats van onze tegenwoordige schellen vervulde.

Terstond bracht Charietto den hoorn aan den mond en bracht op denzelven een doordringenden langgerekten toon uit, die door den eigenaar der hoeve gehoord werd, welke daarop terstond te voorschijn kwam, de honden stilde en Charietto binnen liet.

//Nog zoo laat op den avondsprak de bewoner der hoeve, een man van omtrent vier of vijf en zestig jaren, met een vroolijk gelaat en een vertrouwen inboezemend, hoewel dom voorkomen. „Nog zoo