Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

//Zoo schoon als uw moeder — neen, Ryno! bij de Godeu, zoo schoon is Randa niet! Gij moest haar gezien hebben," voer Charietto voort, „zoo als ik haar gezien heb — toen zij nog bij uwen grootvader op de hoeve nabij Arenacum woonde, alleen om mijn neg eens in dien tijd te verplaatsen, zoude ik wenschen Arenacuui nog eenmaal te bezoeken."

//Het verwondert mij.' sprak Ryno, //dat gij na dien slag, voor nu omtrent vijftien jaren geleden, en waarin mijn vader stierf, niet weder naar uw oude woonplaats zijt teruggekeerd, even min als mijn grootvader.'"

/'Ja, Ryno! terwijl wij hier streden, deden de ruwe Noormannen eenen inval en staken onze hoeven in brand. Uw grootvader en ik besloten dus ons hier ter woon neder te zetten, dewijl de visch en het wild hier overvloediger dan te Arenacum zijn. Wij bouwden ons eerst eene kleine hut; doch dank zij onze vlijt, thans bezitten wij elk eene goede landhoeve. Het eenige, wat mij echter verwondert," vervolgde Charietto, //is, dat uw grootvader in plaats van in het dal, waar het veel digter bij den stroom is, zijne hoeve op een heuveltop gebouwd heeft, en het zonderlingste van alles is, dat hij nimmer gedoogd heeft, dat die groote offersteen, welke midden in de hal staat, en nergens toe toe dienstig is, weggeruimd werd."

»0!" riep Ryno, //dat zal ik u zeggen. Op dezen steen zat mijn grootvader denzelfden nacht , toen mijn vader vermoord werd en mijn moeder stierf. Op dien steen heeft hij mijn een verschrikkelijken eed doen zweeren, om den moord mijns vaders te wreken,

Sluiten