Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grijsaard, het hoofd schuddende, ffdat kunt gij niet, Ryno! daar zijn wonden, die nimmer geheeld kunnen worden, verliezen, die nimmer hersteld kunnen worden, en wat ik verloren heb, kunt gij mij niet wedergeven. Bouw ook niet al te zeer op uw geluk!"

„Waarom niet?" riep de jongeling, wis Randa niet schoon; is zij niet goed en braaf; bemint zij mij niet teederlijk en heeft zij ook niet menigwerf gezworen, u als een vader lief te hebben en te verzorgen, en zal zij morgen niet de mijne zijn?"

,/Tusschen nu en morgen," riep de grijsaard somber, „Ryno! tusschen nu en morgen komt een nacht! en één nacht, ik weet het, kan meer jammer en leed over ons hoofd brengen, dan jaren vergoeden kunnen." z/Maar waartoe deze sombere denkbeelden ?"

,/lk weet het niet; maar mijn hart zegt mij: deze nacht zal verschrikkelijk zijn. Ryno!" ging Branno voort, terwijl hij met geestdrift des jongelings hand greep en hem naar den ouden offersteen wees, „gij ziet dien steen, misschien is het dezen nacht, de nacht der wraak. Toen ik daar zoo even alleen zat, was het als kwamen er groote bloedvlekken op dien steen. De Goden zijn goed, Ryno! en misschien hebben zij eindelijk de beden van een grijsaard verhoord, die voor de wraak alleen leeft!"

Dit zeggende, vleide zich Branno op de dierenhuid neder, en sloot weldra de oogen.

Ryno's hart was te zeer aangedaan, dan dat hij zich ter ruste konde leggen; vreugde en leed hadden zich te snel in zijn boezem opgevolgd, dan dat de slaap zijn verkwikkende vleugelen over hem konde uitspreiden. Hij zette zich dus voor de deur det

ACHT EBUWEN. II.

Sluiten