Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naar de plaats, van waar dit geluid kwam, zag hij een reusachtigen man, die te paard gezeten, zijn hengst aan den toom hield : en bijna door zijn gelach, hetwelk veel van liet gebrul eens leeuws weghad, van het paard viel.

»Ha, ha, Heer Ridder!'' riep de kolossale gestalte, „staat gij daar te dansen, als in uws vaders burg terwijl ik overal kruis, om u te vinden. En in der daad, de schoone, die gij daar zoo teederlijk omhelst, doet uw smaak eer aan, ha! ha!" en hij lachte weder dat de tranen over zijn dom gelaat liepen.

z/Zijt gij dol, Engistus!" riep de Ridder; want wij hebben zoo even hem als zoodanig hooren aanspreken, „kom mij te hulp en staak uw zot gelach."

//O! wordt uw liefje u tot last," riep Engistus, //wacht," en te gelijker tijd sprong hij van zijn paard, dat de grond dreunde, //ik zal u dan maar van haar ontslaan," meteen greep hij een breede strijdbijl, trad op den beer toe en kloofde diens ruigen kop door midden. Terstond liet de Ridder het dier los en wierp het van zich op den grond, waar het onbewegelijk liggen bleef, en niets meer was dan een lijk.

//Zie zoo!'1 sprak de reus, terwijl hij het bloed van de bijl afwischte, //thans, Heer Ridder! zijt gij bevrijd van uw lastige danseres, en ik verheug mij, dat ik nog tijdig genoeg hier gekomen ben, anders ware het wellicht te laat geweest."

//Maar hoe zijt gij hier gekomenvroeg de Ridder, terwijl hij zich op een omgevallen boomstam nederzette, om van zijn vermoeienis uit te rusten, //hoe zijt gij hier gekomen, Engistus?"

,/Wel op miju paard, zoo als gij hebt kunnen zien."

Sluiten