is toegevoegd aan uw favorieten.

Acht eeuwen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inmiddels maakten beiden zich reisvaardig, en stonden juist gereed hun paarden te bestijgen, toen zich op eens eenig geritsel in het kreupelnout deed hoorenEen geducht groot everzwijn sprong te voorschijn, en werd gevolgd door een hert van buitengewone grootte, waarop een meisje, schoon als de dageraad, gezeten was, die met een blinkende lans gewapend, het zwijn vervolgde.

Doch nauwelijks werd zij onze beide reizigers gewaar, of een zachte ruk aan den toom, welken het hert in den bek had, deed het fraai gevormde dier eensklaps stil staan, en verwonderd staarde de bevallige jageres den Ridder en zijn schildknaap aan.

//Wel heb ik nu ooit zoo iets meer gezien," wilde Engistus zeggen; doch eer hij nog uitgesproken had, stiet hem de Ridder aan, en zeide: //Zwijg met uw taal, ziet gij niet, dat dit schoone meisje eene Godin is."

„Ah zooT' en terstond volgde Engistus het voorbeeld van zijn Heer, door zich voor de jageres op de kniën te werpen, welke zij voor een Godin hielden, en geen wonder; want men geloofde in dien tijd nog paalvast, dat nu en dan de Goden of Godinnen op onze aarde ronddoolden en zich voornamelijk met de jacht bezig hielden.

De jageres scheen over deze eerbetooning ten hoogste verwonderd, en zeide, — want de dames waren toen vrijmoediger dan thans, — „Wel, mannen! voor wie houdt gij mij?"'

//Voor een ijsselijk mooie mei "

,/Zwijg f' gebood de Ridder, zijn lompen schildknaap in de rede vallende, en zich daarop tot het meisje wendende, dat inmiddels van het hert was afgespron-