Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gen zeide hij: „Ik houd u voor een dier Godinnen, welke de bosschen beschermen en die zoo goed zijn als zij zij schoon zijn."

„Gij dwaalt," gaf het meisje tenantwoord, »ik ben een mensch en geen Godin, mijn naam is Horsa, en ik ben de dochter van den Koning der Neder-Sassen (1), aan gindsche zijde van dit bosch. Doch wie zijt gijlieden, die de stoutmoedigheid gehad hebt dit bosch binnen te dringen ?"

»Ik ben," aldus begon de Ridder, die uit zijn demoedige houding was opgerezen, vik hen liidder Lem, en mijn vader is Koning van Friesland (2). Ik heb vele broeders en zusters, daarom zeide mijn vader: i/Lem! uw oudste broeder wordt na mijn dood Koning. Gij zijt de jongste, ik geef u dertig mannen en mijn getrouwen Engistus, — dien gij hier ziet, bevallig meisje! — mede; hij staat voor uw leven met het zijne borg, zorg dus voor u zeiven en tracht voor u een koninkrijk te verwerven. Toen sloeg hij mij tot Ridder, en na eenigen tijd bij mijn neef op den burg te Leiden te hebben doorgebracht, heb ik de reis weder voortgezet, en zie mij dus hier met mijn schildknaap Engistus, terwijl mijn volk aan den ingang van dit bosch gelegerd is!"

Hier eindigde de Ridder zijn verhaal, en de schoone Koningsdochter had hem met welgevallen aangehoord.

(1) Wij willen dczeu naam behouden , oindi-t, dezelve alzoo in de Kronijk voorkomt.

(2) Dese Diebout werdt daerna Connink vau Friesland, eude Itadde een wijff, die een Iteusinne was, daer i\y veel kinderen aen wan ende oock een Soon, die Lem biet. Dese Lem was Ridder, enz. Chr. vau iloll bladz. 7.

Sluiten