is toegevoegd aan uw favorieten.

Acht eeuwen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen begon Engistus over de vreeselijke dorst, die hij leed, en over de groote behoefte, die de paarden aan drinken hadden, met zoo veel welsprekendheid te klagen, dat de goede Horsa met mensch en dier medelijden kreeg.

//Hier is geen water," sprak zij, „doch indien gij mij naar mijn vader volgen wilt!"

»0 neen," riep Engistus schielijk,//de Neder-Sassen zijn niet als zeer vriendelijk bekend en..."

vVrees niet," vervolgde Horsa, //niemand der onzen zal u eenig leed doen, wanneer ik u in hun midden breng."

//Als dat zoo is, dan ga ik gerust mede; want ik vertrouw u geheel en al, behalve dat ik denk, dat gij ons wel eens een strik kondet spannen."

//Zwijg," gebood de ridder, ,/schoone Horsa! ik vertrouw u, en volgaarne volg ik u, werwaarts gij mij leidt."

//Welaan dan," riep de schoone jageres, ,/bestijg uw paarden, en binnen weinig tijds zult gij in de woning mijns vaders zijn." Dit zeggende klapte zij een paar malen in de handen, en het hert, dat op eenigen afstand graasde, plaatste zich terstond naast zijn meesteres. Het fraai gevormde dier strekte de vooren achterpooteii uit, ten einde liet opstijgen gemakkelijk te maken, en vlug als een vogel sprong de jageres op den rug van het hert, dat als trotsch op den schoonen last, die hij droeg, vlug voortdraafde, door den Ridder en diens schildknaap gevolgd.