Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bevalt wij hier zeer goed," riep Lij, zoodra Lij den Ridder bemerkte, //een goed slag van inenschen, die Neder-Sassen, zij mogen er van zeggen, wat zij willen, ik vind het een best, gastvrij volk, hoewel de wijze, waarop zij ons ontvingen, juist niet van de vriendelijkste was."'

//Hebt gij Horsa ook gezien?" vroeg de Ridder, toen hij met zijn schildknaap zicli op eenigen afstand van het volk verwijderd had.

,/Neen, Heer Ridder! ik heb er ook geen bijzondere acht op geslagen."

„Hoe is het mogelijk, Engistus? zijt gij dan harder dan steen, dat de Lemelsclie bevalligheid der schoone Horsa u niet treft?"

//Och neen!" gaf Engistus ten antwoord, //ik vind haar de schoonste, die ik ooit gezien heb , behalve dat ik er zag, die veel schooner waren!"

//Horsa!" zeide de Ridder, en zuchtte zoo zwaar, als iemand, die verliefd is, alleen zuchten kan.

//Engistus!" sprak hij eindelijk, zich op een zodenbank nederzettende, /,wilt gij eenige oogenblikken naar mij hooren?"

»Dit is het aangenaamste, dat ik doen kansprak de schildknaap, ,/behalve dat ik liever mij daarginder bij de mannen met het boogschieten bezig hield."

//Gij zult mij hooren," riep de Ridder opstuivende, *ik heb noodig, dat ik mijn hart ontlaste gij moet mij hooren, hetzij gij wilt of niet."

'/Ik zal hooren, Heer Ridder!" riep Engistus, //hoewel ik niet denk, dat uw verhaal lang zal zijn. Ik houd het meest van lange verhalen, behalve dat de korte mij beter aanstaan."