Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

//Niet ik ben het, die veranderd ben," sprak de maagd, ffneen, Heer Ridder, nog steeds bemin ik u; doch de onsterfelijke Goden gedoogen onzen echt niet, dit is alles, wat ik u zeggen kan, wat ik u zeggen mag. Tracht mij dus te vergeten, maak een andere gelukkig; maar ik, nimmer zal ik ukunnen vergeten."

„Maar ik wil uw vader spreken," riep ridder Lem, //hein wil ik dringend om uw hand verzoeken of...."

,/Doe dat niet," smeekte Horsa, /'ga liever in vrede, de Goden zijn machtig, misschien behaagt het hun, ons eenmaal te vereenigen."

z/Moet ik dan vertrekken, schoone Horsa! zonder de hoop te mogen koesteren, u immer te zullen wederzien?"

nVoor mijn rust is het beter, dat mij niets dan de herinnering aan u overblijft; ik mag u niet de mijne noemen; doch ik zweer u, dat niemand mij ooit bezitten zal. Ik beminde u en nog bemin ik u oprecht, heb dus medelijden met mij, zadel het paard, roep uw schildknaap en vertrek, en tracht spoedig de arme dochter van den Koning der Neder-Sassen te vergeten, voor wie voortaan geen geluk, geen vreugde meer zijn zal. Draal niet," vervolgde zij, bemerkende, dat de Ridder geenszins geneigd scheens te vertrekken, „draal niet, en toon mij, door aan mijn smeekingen gehoor te geven, dat gij mij waarlijk bemint."

//Ik ga; doch, Horsa!" riep de Ridder, terwijl ook zijn oogen vochtig werden, //ik zal terugkeeren, gedenk echter aan uw gelofte, schenk uw hand aan geen' ander, en o! ik bid het u, geef mij iets tot aandenken van u, hoewel uw beeld nimmer uit mijn

Sluiten