Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voor alles? neen, één gedachte slechts hield hem bezig en vervulde zijn gehéele ziel, één beeld zweefde hem des daags door de gedachte, en verscheen hem des nachts in den droom. Horsa, de schoone Horsa, die hij zoo teeder beminde, was hem alles, en aan haar te denken zijn eenigst geluk.

O wist gij het, lieve Dames! hoeveel wij soms voor u lijden, gewis uw koelheid zoude verzacht worden; want gij zijt immers zoo goed als schoon.

Twee jaren dan, om kort te gaan, waren er verloopen, sinds de geliefde Ridder het wilde Woud zonder genade verlaten had, en nu wij ons verhaal weder voortzetten, vinden wij hem weder, van een veertigtal kloeke mannen vergezeld, op weg derwaarts.

Reeds zag hij de donkere massa, die dat geduchte woud, uit honderjarige eiken en ander zwaar geboomte zamengesteld, vormde, en het dof gebrul der wilde dieren, welke zich in hetzelve ophielden, trof zijn ooren, toen hij zich tot zijn schildknaap Engistus, dien de Lezer zich zeker nog wel herinneren zal, en welke aan zijn zijde reed, wendde met den uitroep: «O! hoe klopt mij het hart van vreugde, nu ik mij in de nabijheid harer woning bevind."

Engistus hoorde dezen uitroep niet, of veinsde ten minste denzelven niet te hooren; want hij gaf den goeden Ridder op diens hartstochtelijken uitroep geen antwoord; doch deze was met deze onverschilligheid van zijn knecht geenszins tevreden.

,/Het verwondert mijvervolgde hij, «dat ook gij geenszins in mijn gevoelen deelt. Hoe vriendelijk zijt gij niet bij Koning Ritsart ontvangen geworden, en echter wordt uw gelaat steeds bleeker

Sluiten