Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

juist in den nacht, dien de alwyze Godheid liefderijk tot den tijd der rust geschikt heeft, de meeste gruwelen gepleegd worden. O konden wij eens het heelal op dat rustuur overzien, wij zouden sidderen over de gruwelen, die onze oogen zouden zien — doch voor velen is de nacht een donkere sluier, die de booze daden bedekt.

Ik geloof niet, dat Ridder Lein zich met deze denkbeelden bezig hield; want dan zag hij dezen, dan genen kant uit, om te zien of zij, die hem zoo dierbaar was, en wier gedrag hem heden zoo raadselachtig toescheen, de plaats, «aar hij zat naderde.

Eindelijk verscheen Horsa, en de Ridder greep met geestdrift hare schoone blanke hand, die hij in vervoering wilde kussen; doch Horsa stiet hem terug, en plaatste zich zwijgend naast hem op de bank. , Heer Ridder!'1 dus sprak zij eindelijk, //gij hebt mij de reden gevraagd, waarom ik u beden zoo koel en onvriendelijk behandel. Gij zelf zijt de oorzaak van dit mijn gedrag."

„Ik," riep de Ridder verwonderd, //spreek, schoone Horsa ? waarmede kan ik jegens u misdreven hebben ?"

,/Door uw terugkomst!" sprak het bevallige meisje, vgij weet, Ridder Lem! dat ik u bemin — misschien al te veel bemin," liet zij er zuchtende op volgen. Gij hebt mij uw liefde verklaard, en mij uw hart en hand aangeboden. Ik heb u gezegd, dat ik nimmer de uwe zoude kunnen worden, en bezwoer u tevens, u van mij te verwijderen, en nimmer weder voor mij te verschijnen."

//Gij waart vertrokken, ik had gehoopt, dat de tijd

1*

Sluiten