Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het was een oud gebouw, lomp, maar zeer groot van omvang, een groote vleugeldeur, die met ijzer beslagen was, diende tot ingang dezer sterkte, en was hoog en breed genoeg, om ruiter en ros binnen te laten.

Snel sprong Horsa, toen zij dit gebouw bereikt hadden, van het paard, en zette den hoorn, die aan een ijzeren ketting aan den deur vastgemaakt was, aan den mond, en deed eenige lang gerekte toonen hooren.

Terstond vertoonde zich een man met pijl en boog gewapend op den trans, en nauwlijks bemerkte Horsa hem, of zij riep: „Spoedig, oude Wilfried! het is Horsa, Koning Ritsarts dochter, die hier voor de poort staat, spoedig, doe open.1' En voordat zij nog uitgesproken had, vloog de zware deur open, en de vluchtelingen stormde naar binnen op hetzelfde oogenblik; dat de eerste der vervolgers Rngistus, die achteraan reed, wilde grijpen, doch die van den goeden schildknaap zoodanig begroet werd, dat hij op den grond nederplofte, waar hij eenige uren bleef liggen, zonder zich in het minste te verroeren.

„Zij zijn ons ontkomen," brulde Ritsart, „maar, bij de Goden! van dien toren zal de eene steen niet op den anderen blijven, voordat ik mijn Horsa terug en den Ridder, die zoo snood mijn gastvrijheid schond, en allen, den schildknaap niet uitgezonderd, al zong hij ook als een nachtegaal, gestraft heb.

„Hoe dikwerf heb ik u niet waarschuwend toe»e-

O

roepen,' zeide Oscar, „Koning Ritsart vertrouw den vreemdeling niet te licht."

«Ik herinner mij niet zulks ooit van u gehoord te hebben!" riep de Koning: „doch het zij zoo het wil,

Sluiten