is toegevoegd aan uw favorieten.

Acht eeuwen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De mauneii, die aan den anderen kaut de poort bewaken , zullen daarvan niets bemerken. en aldus zullen wij behoedzaam tot aan de tent des Konings voortsluipen.

«Zeer goed; maar als wij eens allen langs dien weg uit dezen toren trachtten te komen;" merkte Engistus aan, dan zouden zij, indien zij morgen den aanval deden, het nest ledig vinden, en wat zou die dikke Koning Ritsart lachen, behalve dat hij woedend als een leeuw wezen zou."

uDit plan is onuitvoerlijk, wij kunnen de paarden niet stil genoeg naar beneden laten, en hoe zouden wij ze op dit plat krijgen, en zonder paarden is het onmogelijk te vluchten."

«Gij hebt gelijk, Heer Ridder! en ik zal een touw halen, dat ik zoodanig zal vastmaken, dat, al wilde de dikke Koning Ritsart en die brommige bard Oscar er beiden te gelijk zich langs laten afglijden, het niet zal losgaan."

Terwijl de schilpknaap met de uitvoering van de taak, die hij op zich genomen had, bezig was, klom Ridder Lein de trappen af, en trad behoedzaam de kamer, aldus zal ik de plaats noemen, waar zich Horsa bevond, dewijl ik geen ander woord voor dezelve weet, binnen waar zijn geliefde, in een geruste sluimering gedompeld nederlag. Het licht der maan, dat door een tralievenster binnen drong, bescheen haar schoon gelaat, en gaf den Ridder gelegenheid de bevallige gelaatstrekken zijner geliefde te beschouwen.

Daar lag zij, de oogen half gesloten en het hoofd door den blauken arm ondersteund, die nauwelijks zichtbaar was door de rijke haarlokken, welke in dartele krullen over dezelve heen vloeiden. De mond, om welken een