Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vriendelijke glimlach speelde was half geopend, en liet een paar rijen tanden zien, witter en glansrijker dan ivoor, terwijl de blanke slechts gedeeltelijk bedekte boezem, zich in Kolvende beweging nu eens dalende, en dan weder rijzende, bewoog, gelijk de baren der zee, wanneer dezelve door geen storm beroerd wordt.

„Wat is zij schoon!" sprak de Ridder, en naderde hare zachte legerstede, /(om u is het, dat ik thans mijn leven waag, mogen de Goden mij gunstig zijn!"

Een vriendelijke, hemelsche glimlach verheerlijkte op dit oogenblik het gelaat der schoone slaapster, van tusschen de half gesloten lippen klonken nauwelijks hoorbaar, maar met een betooverende stem, de woorden: ,/Ridder Lem! u bemin ik teederlijk."

,/Zij denkt aan mij ook in den slaap, en mijn beeld verschijnt haar in den droom," snrak de Ridder, en boog zich over zijn geliefde heen. ,,\] bemin ik," lispte zij nogmaals.... een vurige kus sloot haar den mond, en slapende sloeg zij den arm om des Ridders hals, toen deze zich eensklaps bij den arm voelde grijpen, en opziende, stond zijn schildknaap achter hem, die hem berichtte, dat alles in gereedheid was. liet is soms goed gestoord te worden.

Na nog een teederen blik op Horsa geworpen te hebben, klom de Ridder naar boven, en liet zich, door zijn schildknaap gevolgd, naar beneden glijden.

Zachtkens slopen zij voorwaarts, door de slapenden heen, en bereikten weldra de tent, waar koning Rit sart zich bevond. Omzichtig lichtten zij het doek op en zagen naar binnen.

Koning Ritsart lag op een dierenhuid, en scheen naar

ACHT EEUWEN. II. 8

Sluiten