Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geaarzeld; doch eindelijk bezweek zij voor mijn beden; want zij bemint mij even vurig en oprecht als ik haar bemin. Thans is zij, zooals gij weet, in gindsche toren ; maar zoo rein en onbevlekt als zij uw woning verliet, en ik, ik lig aan uw voeten en smeek u, Koning Ritsart! geef mij Horsa tot echtgenoot."

//Nimmer, ellendige!" riep de Koning, //nimmer geef ik haar u, gij die laag en onedel de rechten der gastvrijheid schondt, van haar huwelijk hangt mijn regeering af, en geen vreemdeling duld ik op mijn troon, dan wanneer de Goden eerst mij door zichtbare teekens hiertoe dwingen, wanneer dit bosch verdwijnt en de grond golft als de baren der zee, dan eerst zal ik mijn hoofd buigen, en zeggen: de wil der Goden geschiedde! — En nu, gij kunt mij dooden, wat weerhoudt u, die daad bij uw reeds begaan schelmstuk te voegen, stoot uw dolk in mijn borst; maar Ritsart zal nimmer zijn dochter ten huwelijk geven."

Het was te vergeefs, dat Lem zich voor de voeten des Konings wierp en hem met die indrukwekkende woorden, welke de hopelooze liefde alleen den vurigen minnaar in den mond legt, om de hand zijner dochter smeekte; Ritsart was en bleef onverbiddelijk, en eindelijk riep hij: «Ik heb u aangehoord en mijn eed niet geschonden, thans acht ik mij van denzelven ontslagenen de Ridder Lem bij de borst grijpende brulde hij: «Gij zijt mijn gevangene."

//Neen," riep de Ridder, en stiet hem van zich, waarop hij snel de tent verliet, door Ritsart tot aan den ingang gevolgd; want toen hij daar kwam, omvattenden hem de ijzeren vuisten des schildknaap», en wierpen hem tot achter in zijn tent terug-

Sluiten