is toegevoegd aan uw favorieten.

Acht eeuwen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VII.

Terwijl deze zoo geduchte strijd voorviel, hadden zich donkere wolken aan den gezichteinder opeengepakt, en dreven weldra nader en nader bij, terwijl zij de aarde met duisternis overdekten. Een doodeljjke stilte heerschte in de natuur, het lied der vogelen verstomde, en angstig zag men deze gevleugelde woudbewoners van den eenen tak naar den anderen vliegen, om een schuilplaats voor het naderend onweder te vinden. — Een verschroeiende hitte verdroogde in een oogenblik tijds de bladeren van boomen en planten, die door den meer en meer opstuivenden wind, van hun steugels gerukt, dwarlende in het rond vlogen. Al ineer en meer naderden de zwarte wolkgevaarten, en van tijd tot tijd boorde een oogverblindende vuurstraal door het zwarte luchtruim; de storm loe.de hevig en schudde de honderdjarige eiken, als waren het dunne riethalmen, terwijl liet gebrul der wilde diereu verstomde. —

Eindelijk brak het ouweder in al deszelfs verschrikking los, het was als stond de hemel van alle kanten in vuur, en niet alleen aan den hemel, maar ook langs den grond sisten de verzengende bliksemstralen.

De storm gierde als voortgesleept over de velden, eu voerde zand en bladeren in deszelfs dolle vaart mede maar geen enkele druppel daalde op de aarde neder, eu de hitte groeide al meer en meer aan.

Een zwavelachtige dampkring drukte zwaar op de borst en belette de ademhaling, bedwelmd zag men de vogelen uit de hooge boomen ter aarde vallen, waar zij weldra, naar lucht hijgende, stierven.

Eensklaps deed zich een verschrikkelijk onderaardsch