Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7Thille!" sprak de vader, „als uw makkers met mijn groote liefde voor u spotten , doen zij slecht; doch genoeg hiervan," zeide hij, de tafel voor het vuur schuivende, terwijl hij het gebraad op dezelve plaatste. z/Kom Thille! zet u neder; gij ziet, mijn zoon! ik heb voor uw avondmaal gezorgd; doch plaats u wat dichter bij het vuur, want uw kleederen druipen, en neem een goede teug, dat zal u verwarmen. '

„Weder die bezorgdheid!" bromde Thille, en plaatste zich aan de tafel, terwijl de Fries zich over zijn zoon plaatste, en Jen jongeling met de grootste teederheid beschouwde.

Thille was een schoone achtienjarige jongeling, tenger, maar rijzig van gestalte; doch zijn gelaat, hoe schoon ook, was voor een jongeling te teeder en te vrouwelijk.

Groote donkerblauwe oogen blonken van onder de als gepenseelde wenkbrauwen, een fraai gevormde neus, een kleine mond en eene blozende gelaatskleur verhoogden de schoonheid van een gelaat, dat door glinsterend blonde lokken, welke op het hooge voorhoofd in tweeën gesplitst waren, omgeven werd.

„De zeelucht schijnt u hongerig gemaakt te hebben," sprak de vader, toen hij de graagte zag, waarmede Thille het gebraad nuttigde, „en hebt ge veel gevangen ?"

z/Zeer weinig," sprak de jongeling» „doch terwijl ik bezig was met visschen, voer mij een boot met lieden voorbij, die ik niet ken: een hunner, die een mantel, met lamsvellen gevoerd, droeg, vroeg mij hoe ver uw woning van het strand verwijderd was, en daarop gaf hij den roeiers bevel derwaarts te stevenen."' »Hij vroeg naar mijn woning?" herhaalde de Fries „maar gewiB, Thille! hebt gij u bedrogen."

9*

Sluiten