Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Gij kunt mijn net wel krijgen," sprak Altane, «doch Sicco! gij ziet zoo naar het gebraad, indien gij wilt,, zet u aan tafel en eet zoo veel u lust, gij weet Altane ziet zijn vrienden gaarne eten.

„Gebraad ja..." sprak Sicco, zich aan tafel zettende, en het eene brok na het andere verslindende.

„Goed gebraad, wat nieuws vertellen, hierheen gekomen, een man mij gevraagd, waar woont Altane? ik zeg daar, ga er heen; hij zegt: ik kom ook, dus hij hier komt."

//Droeg hij een mantel met schapenvellen gevoerd?" vroeg Thille.

,/Mantel, schapenvellen, ja, groot, groole oogen, groote baard, groote neus, alles groot!"

„Dan is het dezelfde, dien ik op zee ontmoet heb," zeide Thille.

„Ik begrijp niet, wat die vreemdeling mij te zeggen zal hebben," zeide Altane, />doch daar er op hetzelfde oogeublik aan de deur geklopt werd, staakte hij zijn gesprek en stond op ora de denr te openen.

„Zijt gij Altane?" vroeg een barsche stem.

//Zoo is mijn naam."

//Dan ben ik terecht," was het antwoord. „Altane! ik heb u over gewichtige dingen te spreken."

,Treed dan binnen," zeide de Fries, en een man, dien Sicco en Thille terstond voor denzelfden herkenden, die hun naar Altane's woning gevraagd had, trad door den Fries geleid, de woning binnen.

ifVoordat ik met u spreek, Altane! moet ik een vraag doen. Kan ik dezen vertrouwen'1" sprak hij, op Sicco en Thille wijzende,

»De een is mijn zoon, voor hem sla ik in."

Sluiten