is toegevoegd aan uw favorieten.

Acht eeuwen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

,/Hoor toe, mijn goede Thille!" sprak de Fries, z/eu ik zal u de oorzaak hiervan verhalen." Hij wierp nog eenig hout op het vuur en begon toen :

»Uw moeder, mijn zoon! was een vrouw van weêrgalooze schoonheid, en was tevens zoo goed en zachtzinnig als zij schoon was. Niet dan met veel moeite gelukte het mij, haar de mijne te mogen noemen; en toen ik eenmaal met haar door den echt verbonden was, had ik het toppunt mijner wenschen bereikt. Zij was voor mij alles, wanneer ik, na den dag op zee te hebben doorgebracht, in mijn woning terugkeerde, dan vloog zij mij lachend te gemoet en kuste mij welkom, terwijl zij steeds zorgde, alles in gereedheid te hebben, wat mij de moeite van dien dag konde doen vergeten.

//Zoo vlogen onze dagen kalm en zalig daarhenen, en toen zij mij zeide, dat zij spoedig moeder zoude worden, kende de maat van mijn geluk geen grenzen meer. Die gewenschte dag brak eindelijk aan, en gij, Thille! waart het kind, dat hare liefde mij schonk; doch, helaas! weldra verkeerde mijn geluk; want den volgenden dag na uw geboorte sloot zij hare hemelsche oogen voor altijd, en ik bleef alleen inet u." Hier vloeide een traan uit de oogen van den Fries, en met een bewogen stem vervolgde hij: //Uw geboorte kostte uwer moeder het leven, gij, Thille! zijt heteenigste, dat zij naliet, daarom heb ik u zoo teederlijk lief, en als ik u dan zoo voor mij zie, dan is het alsof zij nog bij inij is. Gij gelijkt veel op uw moeder; hare oogen waren even helder als de uwe, en ook hare blonde lokken waren de uwe gelijk. Ja, Thille! gij zijt mijn eenige (roost, en daarom ben ik altoos zoo bezorgd