is toegevoegd aan uw favorieten.

Acht eeuwen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een zaligheid, die men niet kent, en met een geluk, dat men mist.

//Thille!" sprak eindelijk de vader, //één ding moet gij mij zweren, dan neen ik geloof u, ook zonder eed, beloof mij, de Goden uwer vaderen nimmer te zullen verlaten. Daar, werwaarts wij thans trekken, hebben de meeste lieden een nieuwen God. Men noemt die lieden, welke de Goden hunner vaderen verlaten hebben en den nieuwen God offeren en dienen, Christenen, en de priesters dezer Godsdienst streven er naar, oin vele aanhangers voor die nieuwe leer te winnen; beloof mij dus, Thille! nimmer de Goden uwer vaderen te verlaten."

z/Dat beloof ik u!" riep de jongeling met geestdrift.

//En geloof mij," hernam de vader, „dat het u veel moeite zal kosten, deze belofte te houden; want de Christenpriesters weten hun redenen zoo in te richten , •lat men gemakkelijk door dezelve wordt raedegesleept, ja zelfs hebben zij de stoutheid, Thor en Wodan, OudFrieslands Goden, als hersenschimmen, als niet bestaande, te durven voorstellen."

//Maar," sprak de jongeling, ,/ik heb reeds vernomen, dat verscheiden mannen van groote kunde tot dat nieuwe geloof zijn overgegaan, en wanneer men nu eens overtuigend bewijzen konde, dat Thor en Wodan slechts valsche Goden waren, dan..."

//Zwijg, Thille, en laster de Goden niet/' riep de Frieseh, //ons geloof is ouder en dus beter dan het hunne, al onze vaderen zijn in dat geloof gestorven, en zouden wij nu wijzer dan onze vaderen willen zijn? Neen Thille! verzaak de Goden van Friesland niet, die uw grootvader aanbad en voor wie uw overgrootvader eer"