Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verwonderen, of dezelve u ongeloofelijk voorkomen, zoo verwijzen wij nu op de geschiedenis, waarin gij duidelijk zult zien, dat ik mij in mijn beschrijving geenzins aan overdrijving heb schuldig gemaakt.

In zijn koninklijk gewaad gedost, de gouden kroon op het hoofd en den schepter van hetzelfde metaal in de hand, beide kunststukken door den bekwamen Eligius vervaardigd, zat Koning Dagobert op den troon, terwijl Bisschop Faro en de muntmeester Eligius in breede armstoelen aan den voet van denzelven gezeten waren. — Eenige Edellieden en Ridders omringden als een wacht den troon, terwijl gewapenden de ingangen van de zaal bewaakten.

n Dat het gezantschap binnen kome,'' sprak de Koning, en door een heraut vooraf gegaan, traden de Saksers de troonzaal binnen.

Toen zij tot voor den troon genaderd waren, bogen de afgezanten zich eerbiedig, en nadat de Koning hun verlof gegeven had, trad een der Saksers voor en begon:

„Koning Dagobert! Berthold, onze Koning, brengt u zijn groet."

Dagobert lachte schamper en de gezant vervolgde: wWij zijn afgezonden door Koning Berthold en den Raad van Edelen en de voornaamsten van ons volk, waarbij zich de Friezen, de edele Altane en de edele Sicco, beide vrije mannen, Edellieden, gevoegd hebben als vertegenwoordigende hun volk, om u, Koning Dagobert! aan te kondigen, dat wij, moede om langer door u geregeerd te worden, voortaan u niet meer als onzen Heer en Regent erkennen, en weigeren de schattingen, ons door u opgelegd, te voldoen. Dat