Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

"Mannen!" sprak de Koning, //wat gij als Heidenen misdeedt, wordt u door mij, daar gij thans Christenen zijt, vergeven. Tracht de leer des Christendoms onder uw volk uit te breiden, en trekt in vrede naar de uwen terug; doch boodschapt hun, dat, indien zij het wagen zich aan inijn wettig gezag te onttrekken, Clotarius, mijn koninklijke vader en ik, Dagobert, Koning van Frankrijk en van de landen aan den Rijn, dien opstand bloedig zal wreken. — Gaat thans, en brengt deze mijn woorden aan de uwen over."

Daarop wenkte hij een Heraut, die elk der gezanten kostbare geschenken aanbood. //Neemt deze door onzen muntmeester vervaardigde geschenken," vervolgde hij, „opdat gij bij het aanschouwen derzelve aan den maker, den vromen Eligius, denken moogt, die met den eerwaarden Vader Faro, Bisschop van Meaux, zoo ijverig aan uw bekeering gearbeid heeft. En nu, God en zijn Heiligen beschermen u!"

Toen het gezantschap vertrokken was, wendde Dagobert zich tot Faro, die naast hem stond. //Welnu, eerwaarde Vader!" vroeg hij, ,/zijt gij thans over mij voldaan?"

tfDeze daad," riep de eerwaarde grijsaard in verrukking, //staat in den hemel met onuitwischbaar schrift opgeteekend, en zal u eenmaal daar vergolden worden!"

„Thille! Thille! mijn zoon!" riep de vader, terwijl hij zijn eenling in de armen sloot, „Thille! ik heb u weder. En het heeft u aan niets ontbroken ?"

i,0 neen, mijn vader!'1 gaf de jongeling ten antwoord.

«Den braven Eligius zij hiervoor mijn dank," en toen deze juist het vertrek binnen trad, wierp zich de

ACHT EEUWEN II. 11

Sluiten