Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

,/Thille! mijn zoon! o de Goden zijn gedankt dat ik u wederzie!" riep Altane; want niemand anders dan Thille'a vader was de gevangene, „maar ik kan u niet omhelzen, mijn handen zijn gebondengebonden.... ja gebonden zijn die handen, welke het zwaard voerden, dat het hoofd des Konings van zijn lokken beroofde. Doch het is goed, dat gij hier waart, men hadde u anders ook gebonden, ook verkocht, en dat gezicht zou mij hebben doen sterven; want nu ik u in vrijheid zie, knellen mij mijn banden niet meer."

«Gij zijt gespaard gebleven, o mijn vader!" riep de jongeling, „welk een vreugde overstelpt mijn hart, nu ik u weder omhelzen mag!"

//Helaas!" riep Altane, „het zal slechts voor weinige oogenblikken zijn, weldra zal zich een kooper voor mij opdoen, ik zal in slavernij worden weggevoerd , en nimmer zal ik u wederzien."

„Gij zijt vrij," sprak Eligius, terwijl een der krijgsknechten de boeien van den Fries slaakte, „ik heb u vrijgekocht!"

//Droom of waak ik ?" riep Altane, „vrij, ik kan dus bij Thille blijven, o wie zijt gij, edelmoedig mensch! die mij mijn vrijheid schenkt," en opziende, werd hij Eligius gewaar. O!" riep hij, „het is aan de weldoener van mijn zoon, dat ik mijn vrijheid te danken heb."

//Welaan," sprak Eligius, „volg mij thans met uw zoon naar mijn woning, opdat het gezicht uwer vreugde het hart der andere gevangenen niet verscheure!"

„Ik volg u," sprak de Fries, „doch vergun mij eerst dezen mijn deelgenoot in den strijd en de gevangenschap vaarwel te zeggen." Dit zeggende wendde hij zich tot een kleinen man, die naast hem stond, „Vaarwel

Sluiten