Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

binneu Utrecht werd opgericht, daar de kroinjk reeds van een keik aldaar spreekt, welke door Clotarius, en zelfs door Theodebert II begiftigd was, maken wij alleen hier deze aanmerking, dat Dagobert deze kerk, in plaats van dezelve onder het oppergezag van Rome te stellen, dezelve onder het Bisdom Keulen stelde, echter onder deze voorwaarde, dat de Bisschop, de ongeloovigen in en rondom Utrecht tot het Christendom zoude trachten over te halen. Hiervan gebeurde echter niets, want na verloop van eenigen tijd, werd deze kerk door de ongeloovigen wederom verwoest en vernield.

Langen tijd echter voordat zulks plaats had, verzamelde zich, twee jaren later, dan toen datgene, hetwelk wij in het voorgaande Hoofdstuk mededeelden, voorviel, een groote menigte Christenen in deze kerk, ten einde ecu hunner jeugdige landgenooten te hooren, die tot het Christendom was overgegaan, en, na twee jaren in een klooster in Frankrijk doorgebracht te hebben, voor het eerst zoude prediken.

Alle plaatsen waren bezet, en zelfs in het portaal der kerk verdrong zich de menigte.

In een der afgelegenste hoeken stonden twee mannen, die vergeefsche pogingen deden, om door het volk heendringende, digter het spreekgestoelte te naderen.

„Bij Wodan!" sprak de een, een groot en forsch gespierd man, tot zijn makker, die bij hen. afstak, als de heester bij dtn populier, //bij Wodan 1 zie eens hoe dat dwaze volk zich hier opeendringt; doch ik ben even dwaas als zij zijn; om hem te hooren, ben ik hier gekomen, dat is dwaas, zwak ; maar ik wenschte hem zoo gaarne nog ééns te zien.

Sluiten