Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Volk zegt," sprak zijn kleine makker. „ volk zegt, geleerd , heel « ijs, goudsmid geleerd, medegaan gezant schap, niet weerom komen, blijven, doopen, vloeken

„Stil!" riep de andere, '/stil! daar komt hij."

Op dit oogenblik beklom een schoon jonkman het spreekgestoelte. Zijn gelaat teekende geloof, hoop en liefde; want het is toch waarheid, dat de gelaatstrekken tolken van de ziel des menscheu zijn. Godsvrucht blonk op zijn gelaat, o! hoe verschilde hetzelve met dat van hen, die om zich een schijn van godvrucht te geven, hun gelaatstrekken verwringen, hun oogen als krankzinnig ten hemel wenden en den mond niet openen, dan om te zuchten. O! hoe hatelijk zijn dezulken, die geveinsde Christenen, hoe smakeloos, ja soms wanstaltig zijn de kleederen, die hun trotsche ligchamen dekken; want trotsch zijn zij, en hun trotschheid is nog onverdra gelijker, dan die van de grooten der aarde. Hun stem klinkt temend en slepend, en zij laten dezelve nimmer hooren, dan om te bidden, te zuchten of kwaad van hun naasten te spreken. Levert zulk een mensch het beeld van een waar Christen op, of zijn die norsche trekken teekenen van vroomheid? Neen, hij, die waarlijk Christen is, is vroolijk en welgemoed, dankbaar aan den grooten Gever, geniet hij de goede gaven; wanneer de zon rijst, of de avond nederdaalt op de aarde, klinkt zijn loflied uit een opgeruimde borst; hij bidt niet 111 het openbaar, maar stil, stil en in afzondering; hij ziel in eiken mensch zijn vriend, zijn broeder , twist niet over eenige punten van zijn geloof, maar volgt de wetten op, die dat geloof hem voorschrijft.

Sluiten