Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eindelijk werd de dcc geopend, en gelijk een ter dood veroordeelde bij den eersten klokslag van het uur, waarop hij zijn vonnis zal ondergaan, schichtig opspringt, zoo ook rees Erisa op, en ijlde een meisje van hare ouderdom, dat het vertrek binnen trad, te gemoet.

„Welnu, Ada!" riep zij, „Ada! hebt gij hem gezien ? verhaal mij alles, lieve vriendin! alles van hem, maar spoedig; want zie de maan komt reeds op, en Gundebald met de anderen zullen spoedig hier zijn.'

„Ja ik heb hem gezien . . .

„Maar neen, zeg mij eerst/ viel Irisa. met de grootste teekenen van ongeduld, de boodschapster in de rede, „zeg mij eerst, hebt gij hem gesproken?"

„.la!"

«Euriep Erisa, als iemand, die bevreesd is een treurige tijding te vernemen, „en zal hij .... zal hij komen?"

«Hij zal komen! '

„Komen!" riep Erisa, terwijl zij van vreugde opsprong i;ii door de kamer huppelde, «hij zal komen; ik zal hem wederzien, weder met hein spreken. A.da! Ada! o wat ben ik gelukkig !" en weenend viel zij aan de borst harer vriendin; doch thans waren het geen tolken der smart, die uit hare oogen te voorschijn drongen; maar het waren vreugdetranen, die zij weende; want vreugde en leed openen de kiistallen beken, die verlichting aan onze ziel geven.

„Maar bedaar dan toch, lieve vriendin!" sprak Ada, „matig uw vreugde, denk aan uw echtgenoot, en....1

„Waartoe mij dit herinnert," sprak Erisa, «waartoe mijn vreugde, zoo kortstondig als ijdel, gestoord?

Sluiten