Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

laat mij nog eenige oogenblikken wauen gelukkig te zijn. Vervolg dus, lieve vriendin! deel mij alles, alles, tot zelfs de geringste bijzonderheid mede, en spreek mij dan tbans van niets anders dan van hem!'' Dit zeggende trok zij Ada aan hare zijde, en deze begon:

,/Dicht bij de stad heeft de prediker Bonifacius, zooals gij weet, zijn verblijf genomen, cn een aantal tenten verschaft hem en den zijnen huisvesting. Gij had mij dezen morgen verzocht derwaarts te gaan, en nauwelijks had ik de stad verlaten, of ik bemerkte reeds den grijzen prediker, die met de kracht en het vuur eens jongehngs het woord voerde tot een groot aantal mannen en vrouwen, welke aldaar bijeengekom en waren. Weldra ging men toen tot die plechtigheid over, welke de Christenen den doop noemen, en 1111 ook zag ik Rolla, welke den grijsaard in het doopen bijstond."

,/En is hij niet zeer veranderd V hebben niet al het leed en de kommer, welke hij onderging, zijn anders zoo bevallig, zoo schoon gelaat ontluisterd?" vroeg Frisa.

„Geenszins, hij is daarentegen rijziger van gestalte geworden, en zijn gelaat heeft een zwaarmoedige tint aangenomen, die de uitdrukking van hetzelve verhoogt. Toen nu de plechtigheid was afgeloopen en het volk zich verwijderd had, naderde ik hem- Hij scheen mij niet meer te herkennen. ,/Herkent gij mij niet meer?'1 sprak ik, „ik ben Ada, de vriendin van Frisa."

„Toen bedekte een donker rood zijn eerst zoo bleeke wangen. «Ja, Ada!" riep hij, ,,thans herken ik u! en Frisa, leeft zij nog?" en hier beefde zijn stem; //is zij gelukkig, bemint mijn broeder haar, zooals zij verdient bemind te worden? en heeft zij ook

Sluiten