Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wij elkander mochten toebehooren. Gij weet,, dat de dood van Holla's vader dit ons geluk verhinderde; de arme jongeling werd uit zijn wettig erf verdreven, Gundebald wist zich bij mijn vader in te dringen; ik werd gedwongen de zijne te zijn, en ik vraag u, mijn vriendin! u, Ada! voor wie ik nooit geheimen had, of ik den man, die mijn geluk en dat van hem, dien ik meer dan mij zelve beminde, verwoestte en die schandelijk den eed, aan zijn stervenden vader gezworen, verbrak, kan liefhebben. De Goden echter zijn mij niet geheel eu al ongunstig; wat bij andere vrouwen een bron van ramp is, strekt mij tot vreugd, namelijk dat mijn echt kinderloos blijft. O! hoe dank ik de Goden daarvoor; want nimmer zoude ik het kind, dat Gundebald vader noemde, kunnen beminnen, hoe wel onschuldig, zoude ik het haten, zooals ik hem zei ven haat en veracht. Veeleer begaf ik .... doch wat hoor ik, Ada!... voetstappen, Goden! geeft mij kracht...." De deur werd geopend.

„Frisa, Frisa!" klonk liet.

wRolla!" lispte een zachte stem.

Gelijk de klimop zich rondom den boom hecht, zoo ook lagen beiden in elkanders armen, sprakeloos was hun mond; maar hun blikken — soms zeggen de oogen meer dan dnizend tongen kunnen uiten.

Veroordeel haar niet, gij, die deze bladeren leest! veroordeel haar niet, omdat zij een anderen door den band des huwelijks toebehoorende, een anderen omarmt en bemint; zij, die de liefde kennen, zien hierin niets misdadigs. Geen wellustige omarming was het, neen, in de onbevlekte zielen van beiden heerschte deze schandelijke lust niet; maar gevoel van overeenstem-

Sluiten