Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Reeds waren zij de plaats genaderd, waar Holla zich bevond! Geen hoop, geen uitkomst meer, hij raapte al zijn moed bijeen; als de eenigste en laatste hulpbron wilde hij een poging doen, om het gemoed zijns broeders te verteederen en op hem toeijlende, riep hij: „Gundebald! ik beu liolla, uw broeder!"

Als door den donder getroffen, bleef Gundebald staan, zijn gelaat werd bleek als dat van een doode, zijn leden sidderden, en als waren zijn voeten vastgenageld, bleef hij op dezelfde plaats staan. Met verglaasde oogen staarde hij den broeder aan, die hem de hand der verzoening aanbiedende, voor hem stond; toen, als door een electrieken schok getroflen, sprong hij terug. „Bij Wodan!'' riep hij, /'de dooden keeren uit hun graf terug, mannen! Friezen! als uw leven u dierbaar is, vlucht dan, vlucht; want beef voor den geest!" en de fakkel van zich werpende, vlood hij, als werd hij door den Booze vervolgd.

De Friezen, die Gundebald gevolgd waren, vloden met hem, zonder juist de reden te weten waarom.

In zijn woning teruggekeerd, wierp hij zich op een bij de haardstede staande bank neder, en bedekte zijn gelaat uiet beide handen, nrieP hij» f/ja> heb hem gezien, zijn stem klonk in mijn ooren, wee! wee! de dooden staan op uit hun graf!

//Maar, bij Wodan! wat deert u dan?" vroegen zijn makkers, //Guudebald! spreek, zijt gij krankzinnig geworden ?"

»Krankzinnig? de Hemel gave, dat ik zulks ware. Hoort, hoort allen toe; maar, bij Wodan! gij zult sidderen!

«Gisteren avond," aldus begon Gundebald, ua zich

Sluiten