Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een weinig hersteld te hebben, //gisteren avond kwam ik van de jacht te huis. Frisa, mijne echtgenoote, had voor mij den avondmaaltijd in gereedheid gebracht; doch voordat ik aan denzelven begon, deed zij mij het voorstel mij niet mijn broeder te verzoenen. — Ik wist, dat hij zich in het gevolg van Bonifacius bevond, en twijfelde geenszins, of zij hadden elkander, gedurende mijn afwezigheid, gezien en gesproken. Nauwelijks was ik aan tafel gezeten, toen ik onder de netten, welke in den hoek van het vertrek op een hoop lagen, eenige beweging bespeurde, waarop ik des te opmerkzamer werd, daar Giko, een mijner beste honden, niet opgehouden had, rondom de netten te snuffelen, en door zijn luid en aanhoudend geblaf mij te kennen gaf, dat er zich aldaar iets verdachts bevond! Ik veinsde echter voor mijn echtgenoote niets te merken, en toen het uur der rust daar was, vlijde ik mij aan hare zijde neder. Eindelijk waande ik haar ingeslapen te zijn, en zoo zacht mogelijk stond ik van mijn legerstede op, greep mijn zwaard, — een geduchte beweging liet zich onder het net zien, ik stak toe een dof gereutel als dat van een stervende trof mijn oor, een dikke bloedstroom verwde den vloer — op hetzelfde oogenblik stond Frisa achter mij: //Gij hebt uw broeder vermoord riep zij, en zonk bewusteloos neder. — Nog was mijn wraak niet gekoeld, in overmaat van woede, greep ik haar aan. //Boeleer thans met hem!" riep ik, en smeet de bewustelooze op het lijk mijns broeders neder."

Hier staakte Gundebald eenige oogenblikktn zijn verhaal, en na zich eenigzins hersteld te hebben, vervolgde hij aldus:

Sluiten