Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«Eindelijk was mijn woede bedaard, mijn wraak bevredigd, ik nam mijn nog steeds bewustelooze echtgenoote op, en legde haar weder op hare legerstede neder. Toen, zonder het lijk mijns broeders te durven aanschouwen, nam ik de netten op en wierp alles in gindschen vloed. — En het zonderlinge is, dat ik sedert dat oogenblik Giko, mijn besten hond, niet heb wedergezien. Thans, terwijl wij den verspieder, die hetgeen er tusschen ons dezen avond voorviel, was te weten gekomen, najaagden, verrees zijn geest van achter den steenhoop, die onder gindsch venster ligt, en riep mij grijnzend toe: «GundebaldI ik ben Eolla, uw broeder.""

HOOFDSTUK XIV.

Reeds vroeg in den morgen had Bonifacius zijn legerstede verlaten, en was druk in gesprek gewikkeld met Doban, die ook wel onder den naam van Eoban in de geschiedenis voorkomt, dien hij vroeger had aangesteld, om hem iu de bestiering van het bisdom van Utrecht behulpzaam te zijn. Het was de vijfde van Zomermaand van het jaar 754, de dag door den Bisschop vastgesteld, om den nieuw gedoopten plechtig de handen op te leggen.

Hun gesprek liep natuurlijk over dat onderwerp, waarin de beide mannen het grootste belang stelden, en hetwelk hun geheele hart 7ervulde, namelijk de uitbreiding van het Christendom.

Sluiten