is toegevoegd aan uw favorieten.

Acht eeuwen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«Daar is hij weder, hij, de doude, waarom keert gij niet tot het graf terug ?' Doch op hetzelfde oogentrof hem een pijl achter in den rug, hij slaakte een rauwen gil, sprong hoog op, en viel toen kermend op den i;rond neder. Fulrad, die volgens gewoonte meer wijn dan gewoonlijk gedronken had; was hierdoor tot dapperheid opgewekt geworden, en door diens hand was het, dat de pijl gericht werd, die Gundebald getroffen had* Terwijl de Friezen den moord der Christenen steeds voortzetteden, en de prachtige boekwerken en geschriften, benevens de kostbaarheden, die bij het uitoefenen der openbare Godsdienst gebezigd werden, roekeloos vernielden en aan de vlammen prijs gaven, sloop Rolla naar de plaats, waar zijn broeder gevallen was. Zoodra had hg niet gezien, dat Gundebald gewond was, of alle haat was uit hem geweken; hij zag in dien man, die daar kermende op den grond met den dood lag te worstelen, noch Bonifacius en Dobans moordenaar, noch den verwoester van zijn geluk, noch hem, welke zich niet ontzien had, het bloed zijns broeders te doen stroomen, welke gruweldaad de Hemel echter belette; neen, die gewonde was zijn broeder, die uit dezelfde borst, waarin hij lafenis vond, het eerste voedsel zoog; het was die broeder, met wien hij eenmaal aan hetzelfde sterfbed des goeden vaders stond, en met wien hij denzelfden zegen, welken de zieltogende grijsaard over hun hoofden uitsprak, deelde; in één woord, de inspraak des bloeds verhief zich luid in zijn boezem, en naast zijn broeder nederknielendc, riep hij: „Gundebald! ik haat «niet, neen, ik vergeef u, gij hebt mij niet vermoord!"