Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

volkomen zuiver aniline geen fuchsine geeft; later bleek, dat hiervoor de aanwezigheid van ortho- en paratoluidine een vereischte is.

De formule welke Hofman n voor het rosaniline vond, was : C20Hu N, 0 C!0 //,9 N3 + H O.

Het zoutzure zout of fuchsine bezit de formule :

C20Hi0 N3 Cl.

dit ontstaat dus uit rosaniline met HCl onder waterafsplitsing : C20 //,, N3 O + HCl C2 0 //,„ ^ HCl + //2 O.

Door de ontdekking der diazoreactie door G r i e s s, werd de aanwezigheid van drie NHX-groepen bewezen; rosaniline gaat n. 1. door inwerking van salpeterigzuur over in eene verbinding, welke in plaats van de aminogroepen drie hydroxylgroepen bevat, n. 1 het rosolzuur:

C, Ht - OH C C, //4 - OH > C\ H3. CH, = O.

Door verhitting met ammoniak kan hieruit weer rosaniline verkregen worden.

Emil en Otto Fischer pasten nu de diazoreactie toe op de leukobase van het fuchsine, het 1 e u k a n i 1 i n e, dit had de formule Ci0HitN3; werd de gediazotcerde verbinding met alkohol behandeld, dan bleek een koolwaterstof van de formule ClCl H^ te ontstaan.

Dezelfde reactie werd nu uitgevoerd met het homoloog van leukaniline, het paraleukaniline, hieruit ontstond de koolwaterstof Cl9 //l6, welke identiek met triphenylmethaan bleek te zijn ; hiermee was dus bewezen, dat triphenylmethaan ook het stamlichaam van leukaniline en dus van fuchsine was, de constitutie van het fuchsine was dus opgehelderd

De technische gewinning van het fuchsine volgens het arseenzuurproces heeft plaats door ongeveer gelijke deelen aniline, ortho- en paratoluïdine (aniline voor rood) te verhitten

Sluiten