Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opgroeien en, zoo verbeeldde hij het zicli althans, alles geweten wat in liaar omging; hij meende een ontleding van haar karakter te kunnen maken, zoo nauwkeurig, dat elke trek er in beschreven was, en hartstochtelijke liefde daalt niet in de diepe mijnen neer, zij blijft op de zonnige oppervlakte, want haar halve wezen bestaat in onderstellen, in het denken van al de bekoorlijkheden, die daaronder verborgen zijn. Maar voedde hij ook geen liefde voor haar, ja had hij zich nooit met de mogelijkheid van zulk een gevoel vertrouwd gemaakt, zij was hem onontbeerlijk geworden. Zij was een deel van zijn eigen wezen, een tweede ik, een grond waarin hij elke gedachte planten kon, en bij wie hij, als de conversatie zijner onkundige vrienden hem tegenstond, een belangrijker gesprek zocht; haar te missen was hem zoo onmogelijk, als het hem tot nog toe ondenkbaar had geschenen dat dit ooit gebeuren kon. Hij had haar nog nimmer in de gelegenheid gezien om liefde te koesteren, en zoo was de onderstelling, dat zij zou kunnen beminnen, nooit in hem opgekomen.

Ook Edwards genegenheid had hem in 't eerst niet daaraan herinnerd. Dat iemand als Melville het waagde zijn oog tot haar op te heffen, was slechts een ongehoorde stoutheid, en hij gevoelde te zeer zijn meerderheid boven dezen, om het denkbeeld, dat Helene zulk een vermetelheid zou billijken, niet even vernederend voorden smaak der jonkvrouw als voor zich zelf te vinden. Langzamerhand echter begon haar toenemende vertrouwelijkheid hem toch onaangenaam te worden. Het was ondenkbaar dat zij Edwards gevoelens zou beantwoorden, maar zij kon toch door medelijden misschien tot verkeerde denkbeelden verleid worden. Hij had na het gesprek bij hun zingen de zaak ten minste eenig nadenken waard geacht, en besloten aan deze innige betrekking een eind te maken.

Het was hem gelukt. Edward bevond zich geheel op den weg, waarop Reinout hem wilde hebben, en de aangelegenheid scheen hiermee afgedaan. In een bijzonder opgeruimde stemming, opgeruimder dan hij zelf kon begrijpen, was hij dien morgen naai' de Vredenborgs gegaan, om — in te zien dat hij zich bedrogen had. Een mengsel van wrok en teleurstelling vervulde zijn borst. Hij had haar smaak gevormd, haar studie geleid, en don vreemdeling, die niets voor haar was geweest, dien zij nog maar zoo kort kende, schonk zij al haar gedachten, de gedachten, die hij in haar gekweekt had; hém kende zij een invloed toe, grooter dan hij oefenen kon. Hij kwam zich voor als iemand, die met ondank beloond werd, als een ter zijde geplaatst persoon, en ter zijde geplaatst voorwien? — voor een Melville.

Sluiten