is toegevoegd aan uw favorieten.

In dagen van strijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het kleed van ijzige hooghartigheid, over een felbexvogen natuur geworpen, dat was het wat dezen man opmerkelijk maar tevens terugstootend maakte. Onwillekeurig vroeg men zich af, of deze zelfverheffing alleen uit het bewustzijn van zelfoverwinning voortkwam, dan wel of zij slechts diende om het woeden van andere passiën te verbergen.

Want het vuur der hartstochten, niet de jaren hadden Viale verteerd. Hij kon nauwelijks vijf en veertig jaar oud zijn, en zijn hooge, krachtige gestalte toonde, dat de natuur hem niet tot ontijdige uitputting veroordeeld had, maar het leven, dat uit zijn trekken sprak, was vervallen alsof een veel langer gebruik het had gesloopt. Was het de rustelooze zucht naar eer en aanzien, waarvan men hem beschuldigde, die dit bewerkt had ? zeker moest het een hevige drift geweest zijn, die den tijd zoo had kunnen vooruitsnellen. — En een drift, die nog niet bekoeld was. Iedere trek in dit gelaat toonde aan, dat hier nog geen berusting gekomen was; op dit voorhoofd lag geen peinzensmoede uitdrukking, die opgehouden had de groeven der jaren met de spade van bestendig denken te verdiepen; neen, dit voorhoofd ontplooide of bewolkte zich nog, al naar de gedachten, die daarachter opkwamen. Deze liere gestalte was niet gebogen, zij drukte een vastberadenheid uit, die getuigde dat de plannen, doorzijn geest gevormd, nog altijd door een onverzettelijken wil werden ten uitvoer gebracht.

Hij was bij het onstuimig binnentreden van zijn zoon opgerezen en had diens haastig bericht aangehoord, thans trad hij op Edward toe en gaf hem in zorgvuldig gekozen woorden zijn dank te kennen. «Mijn Frank leidt u wel wat zonderling bij mij in, maar wees daarom niet minder welkom," sprak hij minzaam; »wien mijn zoon mij brengt, die is te allen tijde gaarne gezien, dat weet hij, mijn verwende knaap," — en het oog van den graaf rustte even met onmiskenbaar welgevallen op zijn schoon kind. Zooveel warmte had men niet in die koele, harde oogen kunnen vermoeden, die de kleur des hemels droegen, maar niets van zijn licht. Ze verried, hoe deze trekken, wanneer hun terugstootende uitdrukking verdween, de harten evenzeer moesten winnen als ze die nu afschrikten.

Toen hij zich weder tot Edward wendde, was ook zijn gewone hoogheid teruggekeerd, en ofschoon hij zeer vriendelijk sprak, was het toch geheel de graaf van Viale, die tot iemand, wiens geslacht misschien wel van gisteren dagteekende, voortging: »bij ieder verkeer is het eerste vereischte, dat beide partijen elkander kennen, mag ik dus uw naam weten? mij zelf behoef ik wel niet voor te stellen."

»Ik heet Melville."