Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«Dat weet ik niet; hij is een meteoor, die plotseling verscheen; zÜn geslacht is Hollandsch, maar hij is langs een verren weg aan zijn titel gekomen. De vorige graaf van Viale, die nu al een twintig jaar dood is, was een liederlijk sinjeur, en als hij er kans toe gezien had, zou hij zijn goed wel opgemaakt hebben, maar het bestond vooral in landerijen, die hij niet mocht verkoopen, en zoo liet hij zijn titel en zijn bezittingen aan een neef na, een zekeren de Brénis, geloof ik, een onbekende grootheid. Nu, diens heerlijkheid duurde niet lang, hij was naar Duitschland gereisd, en nog geen jaar lateihoorde men dat hij gestorven was; een onmogelijk idee, nietwaar? juist dan te sterven!"

»Het is een zoo kort idee, als ik wilde dat uw verhaal was, De Burge," merkte Filips ongeduldig aan; »gij vergast iemand altijd op de langste familiegeschiedenissen. Laat hem nu maar dood blijven."

»Ik kan hem ook niet levend maken, — wat voor Viale een geluk is, want door dien dood werd hij erfgenaam."

»Dus was hij mede een bloedverwant van den vorigen graaf?" Vroeg Edward.

»loen hij diens goederen opeischte, heeft hij ze ten minste gekregen, maar vooreerst kwam hij er niet op wonen; men kende, zag of hoorde hier niets van hem, dan dat hij op reis was, ik geloof door zoowat alle landen, totdat hij na een jaar of vijf met een schatrijke Fransche vrouw terugkwam. Hut schijnt hem echter op zijn bezittingen niet behaagd te hebben, hij was meestal in Brussel, en nu heeft hij er zich al sedert lang voorgoed gevestigd; het hof kan hem niet meer missen."

»Is hij een raadsman der landvoogdes?"

«Hij is de punt, of het vraagteeken, achter al haar besluiten." »In den laatsten tijd alleen vraagteeken," zeide Filips; «achter de raadzaamheid van haar verzoeningsfeest heeft hij er een zeer groot gezet."

»Ja, daarom bleef hij ook weg; het was anders een prettige avond; ik heb vrouwe Margareet nooit zoo minzaam gezien; wat zou zij voortreffelijk wezen, als zij haar beloften deed om ze ook te houden."

«Dat moogt ge wel zeggen; van de plaats, die ik aan haar hof zou krijgen, heb ik ook weer niets gemerkt," hernam de jonge Vredenborg op ontevreden toon; het heet telkens, dat zij bij haar ander werk geen tijd had om er over te denken; ik begrijp niet hoe de menschen zoo weinig uitvoeren."

Die bij Filips' eigen vlijt zoo gerechtvaardigde klacht maakte weinig indruk op zijn vriend. «Met die plakkaten heeft zij bepaald inbreuk

Sluiten