Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

»Een bigot, hoogmoedig man," zeide Vredenborg op een toon van groote meerderheid, »zijn opvattingen zijn te beperkt om ze een weerlegging waard te keuren," en na dit wegwerpend oordeel ging hij met een beweging, die scheen te zeggen dat hij zulk een onbeduidende persoonlijkheid hiermee uit zijn geheugen wischte, op de belangrijker vraagstukken in, die de terugkomst van zijn jongen huisgenoot een oogenblik gestoord had.

Een der bezoekers had Griekenland doorreisd; hij vertelde wat hij daar had gezien, en de Grieksche literatuur was voor Vredenborg, ondanks de nationale richting zijner studie, een te vaak doorploegd veld om niet met genoegen naar zijn verhalen te luisteren, terwijl een zekere ijdelheid, die toonen wilde hoe goed hij zich ook op dit vreemde gebied bewoog, aan zijn gesprek een grooter levendigheid bijzette. Het was een belangrijk onderwerp, en misschien zou Edward het op een andere tijd ook zoo gevonden hebben, maar nu, vermoeid, ongeduldig verlangend zich in zijn eigen gedachten te kunnen verdiepen, en in stilte met Silvia bezig, kwam het hem alleen bezwarend voor. Hoe aangenaam, dacht hij, zou het geweest zijn, als Helene thans een vroolijk woord in dien ernst geworpen had; — hij was overtuigd dat Silvia dit met onnavolgbare gratie zou doen; — maar neen, zij moest natuurlijk midden in die gewichtige zaken wezen. Hij voelde dat het onrecht was, doch de opmerkzaamheid, waarmee zij luisterde, hinderde hem. Die overdreven belangstelling in dingen van het verleden had toch iets zeer ongerijmds; er was in het heden waarlijk genoeg om zich beter en meer in harmonie met haar leeftijd mee bezig te houden, dergelijke geleerde onderwerpen moest zij maar aan mannen met grijs haar overlaten; — en in dat gevoel zag hij haar alles behalve bewonderend aan. Terwijl zij bij een aanhaling uit Euripides' Phaedra zoo wijs en zeker over de vereischten van den hartstocht sprak, was zij plotseling zeer onbevallig in zijn oogen. Zulk een verheven, bestendig op Cothurnen voortgaand wezen paste toch niet voor hem, en voor een gewoon man kon zij ook zeker geen genegenheid koesteren. Hector zou zij misschien beminnen, zij wist immers zoo juist wat Andromache gevoeld had, en wilde waarschijnlijk als Portia voor Brutus sterven, maar onder de levenden was er stellig geen zoodanige boekenheld, en wrevelig luisterde hij naar het gesprek.

Het was jammer, dat zij zich juist op dit oogenblik tot hem wendde. «Gelooft gij dat Phaedra ooit werkelijk liefhad?" vroeg zij: »zoo haar hart iets voor Hippolytus voelde, zou zij hem dan aan het verderf hebben kunnen overleveren? dat is het wat mij niet in de tragedie van haar lot deelen laat, dat alleen de liefde haar zou kunnen

Sluiten