Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en de genegenheid der menschen is als de tijden van het jaar, vol verandering."

»0 ja, zeer vol verandering. En de herfst komt buitengewoon vroeg soms," antwoordde hij scherp, want hij vatte haar gezegde als een persoonlijke toespeling op.

Zij boog het hoofd. »Te vroeg soms," fluisterde zij; daar was een licht beven in haar stem, zij voelde de koude herfstlucht.

Hij bemerkte het niet. »0," hernam hij hard, »dat kan voor de meesten niet bezwarend zijn, de zomer komt immers terug, en brengt weer andere bloemen en — andere menschen, misschien zulke met wie hij langer duurt."

Haar lippen klemden zich vast op elkander als moesten zij de uiting der smart terughouden, die haar bij zijn harde opmerking aangreep. »Gij zult zeker morgen over alles spreken," zeide zij eindelijk; »het is reeds laat."

»Ik verzoek verschooning, dat ik u ophield; goede nacht."

«Goede nacht."

\ an beide kanten klonk de afscheidswensch even stroef en onverschillig. Edward maakte een stijve buiging en haar groet was een even stijf antwoord.

Zij bleef bedaard tot hij het vertrek verlaten had. Toen sloeg zij de handen voor het gelaat en zeide op een toon vol bange smart: »zal de zomer ooit terugkeeren ?" Het was of het leed in haar binnenste slechts die korte, droevige vraag kon vinden; toen, haar aandoening onderdrukkend, ging zij met moeden tred, doch kalm als gewoonlijk, naar Vredenborgs kamer en waarschuwde hem, dat het tijd was zich ter rust te begeven.

wZijt gij niet wel? gij ziet zoo bleek," vroeg deze bezorgd.

»0 neen, volkomen wel, het zal de schijn van het licht wezen," antwoordde zij met dien eigenaardigen glimlach, die zoo weinig van vroolijkheid had.

»Er is toch niets?" zeide haar vader.

«Neen, niets."

De oude man vroeg niet verder en zij wenschte hem goeden nacht. Toen zij door de lange, donkere gang zich naar boven begaf, luisterde zij onwillekeurig met een vreemd, huiverend gevoel naar het geluid harer voetstappen, die op de steenen weerklonken. Ze waren zoo duidelijk als zij ze nog nimmer meende gehoord te hebben. Het trof haar, welk een sterke echo de muren hadden, en hoe schril zij elk woord zouden weerkaatsen; elk vroolijk woord sprak zij zacht voor zich heen. Maar wat had zij aan de echo te zeggen? niets ter wereld, niets, — en zij vervolgde haar schreden.

Sluiten