Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zulke avonden een goede reden bezaten om Meerwoude's vriendschap op prijs te stellen, was een gerucht door de scherpe tongen van enkelen rondgestrooid, maar daar dezen natuurlijk zijn vijanden waren, had het geen geloof gevonden. Over 't algemeen hield men Reinout voor wat de landvoogdes en de regeering te Madrid in hem zagen, een bekwaam maar ongevaarlijk man, en uit dit voor zijn karakter zoo streelend bewustzijn kwam mogelijk de glimlach voort, die zijn kalm gelaat vluchtig omspeelde, terwijl hij aan de berichten dacht, die Margareta van hem zou geven. »Een heerlijke tijding voor het Escuriaal, sprak hij, in verbeelding de woorden lezend, waarbij hij als een aangename, met eenige erkentelijke phrasen reeds te verzadigen gast aan de tafel der gunstelingen omschreven werd, maar hij kon de beoordeeling, die zijn minzame gebiedster waarschijnlijk opstelde, niet verder uitwerken, want toen hij de deur opende, zag hij tot zijn verbazing, dat zij een ongedacht gehoor zou vinden. Er was een vreemde in de kamer, en wel een, die met zijn aangelegenheden nauwkeuriger kennis scheen te willen maken dan Reinout kon wenschen, want hij stond voor diens lessenaar en zag het slot met oogen aan, die van zijn onverbreekbaarheid niet erg overtuigd leken.

Het was een mager, armoedig gekleed man met rossigen baard en haar, en een uiterlijk, dat een geheele monsterkaart van eigenschappen vertoonde. Slimheid sprak uit de kleine, fonkelende oogen, driestheid uit den blik dien zij om zich heen wierpen, en een groote mate van zelfvertrouwen uit ieder zijner gebaren; doch als men van die vele hoedanigheden aan één de meest kenschetsende plaats had moeten toekennen, dan zou onbeschaamdheid die zonder twijfel verworven hebben. Al de andere namen een deel van zijn wezen in, onbeschaamdheid lag over het geheel; zij ademde uit iederen trek, iedere beweging, en vooral uit de volkomen kalmte, waarmee hij, in zijn onderzoek gestoord, zich nu naar Meerwoude keerde en dezen zonder eenigen schrik aanzag. «Goeden dag, Uw Edelheid," zeide hij met de meest koelbloedige buiging.

Er was in zijn bedaardheid iets zoo verrassends, dat zij den uitroep, dien Reinout al op de lippen had, terugdrong en hem bijna in verwarring bracht. Hij staarde den vreemde een oogenblik meer verwonderd nog dan vertoornd aan, en vroeg toen: »hoe komt gii hier?" &J

De man wees naar de deur. sik hoop dat het de gewone ingang voor uw bezoekers is," zeide hij zeer rustig, »in ieder geval is het de gemakkelijkste. Overigens moet ik zeggen, dat Uw Edelheid slecht bediend wordt, want ik vond de deur openstaan, en dat is in deze oneerlijke tijden een al te groote verzoeking."

Sluiten