Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op welk een beschaafden toon de vreemde plotseling sprak; «mijn uitzicht is nu wat verwilderd, maar dat herstelt zich spoedig; ik kan mij zóó veranderen, dat mijn eigen betrekkingen mij niet zouden herkennen" — het laatste was volkomen waar, want behalve een oude, blinde tante bezat hij er geen — »en voor 't overige wil ik mij niet prijzen, maar alleen zeggen : stel mij op de proef."

Reinout overlegde nog even, dan zeide hij: «welnu, ik wil het doen. Bevalt ge mij, dan zal ik u houden, en zoo niet — de overheid in Brussel is zeer waakzaam. Zeg mij thans hoe gij heet."

«Mijn van heb ik zoo dikwijls anders geschreven, dat ik werkelijk niet meer weet hoe die het laatst was, maar mijn voornaam is Eelco."

«En waar komt ge vandaan?"

«Uit Friesland."

«Verstaat ge vreemde talen ?"

«Fransch, en Spaansch genoeg om er in te kunnen vloeken."

Het was Reinout niet bekend, hoeveel men tot dat verheven gebruik van een taal moest weten; hij hield zich echter overtuigd dat het geraden zou zijn, in Eelco's tegenwoordigheid zich er nooit van te bedienen, waar het een geheim gold; en hij oordeelde juist, want deze verstond het inderdaad volkomen.

«Wat denkt Uw Edelheid? zal het een accoord worden?" vroeg hij.

Meerwoude haalde zijn beurs uit en reikte hem eenige geldstukken. «Morgen om acht uur wacht ik u, zorg dat ge behoorlijk gekleed bij mij komt, ik zal u dan het nadere bevelen." Hij wenkte zijn nieuwen dienaar zich te verwijderen, en mompelde: «zulk een individu kan bruikbaar zijn;" toen las hij opmerkzaam de ontvangen papieren en schreef ze zorgvuldig over. Eenige zonderde hij af, de andere stak hij bij zich. Margareta had hem verzocht alle ruchtbaarheid te vermijden; het was dus vreemd, dat hij, om aan dit verlangen te voldoen, ze eerst naai' graaf Biederode bracht; hij deed het echter, en de graaf was, zoo het scheen, weinig over hun inhoud gesticht. De prins van Oranje moet dien kennen, oordeelde hij ; en, ofschoon met grooten tegenzin, gaf Meerwoude eindelijk toe. Hij liet voor den volgenden dag om gehoor bij zijn Hoogheid vragen.

Er was dien avond in het gezelschap, waartoe Brederode hem genoodigd had, niets aan hem te merken; een innerlijke onrust moest hem echter toch vervuld hebben, want hij slaakte een zucht van verlichting toen de feestelijkheid eindigde, en het was de eerste morgensluimering waaruit, na een slapeloos doorgebrachten nacht, zijn zonderlinge bediende hem wekte.

«Goeden morgen, mijn gebieder, ik wensch u een aangenamen dag ; ik heb de vroegmis bezocht en een gebed voor u gedaan," zeide een

Sluiten