Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zwijgen kunnen als er niet eigenlijk zooveel te vertellen viel? Voor edellieden zijn elkanders geheimen een versnapering, voor ons zijn zij liet brood waarvan wij bestaan."

»Dat is ten minste een zeer eerlijke waarschuwing om voorzichtig te zijn; overigens begeer ik dergelijke onderzoekingen niet in mijn bijzijn, hoed u dus voor 't vervolg." Hij zweeg, en Eelco verheugde zich reeds er zoo gemakkelijk af te komen, toen Reinout plotseling vroeg: «waarom schriktet gij toen de graaf met zijn zoon sprak?"

«Schrikte ik?" Eelco deed een mislukte poging om er zeer verwonderd uit te zien, »dat ben ik waarlijk al vergeten."

Zijn meester zag hem scherp aan. »Mij dunkt dat gij den graaf zeer wel kent."

»Den graaf van Viale? zoowaar ik leef, neen, maar —"

«Welnu, maar —?"

«Toen ik die stem hoorde, zou ik gezworen hebben, dat — dat hij een anderen naam moest dragen."

«Welken anderen naam? ik geloof, dat het aan uw zinnen schort," zeide Reinout, nog half onzeker of hij slechts met een vergissing te doen had, dan wel of het werkelijk een herkenning was, die Eelco gemaakt had.

Deze zag nadenkend voor zich uit. «Ja," vervolgde hij, «in'teerst zou ik er niet op gekomen zijn, maar toen hij dien jongen aankeek,— juist diezelfde stem ook. De graaf van Viale? hum, het kan zijn, hij is veranderd, machtig veranderd, ze zullen hem niet kennen. Mijn edelman was niet zoo aanzienlijk, maar of hij niet gelukkiger was? — zoo'n geweten is een lastig ding, hapert er eens wat aan, dan gaat het juist als met een wond aan iemands voet, hij stoot zich tegen iederen scherpen steen." —

Meenvoude fronste de wenkbrauwen. «Dat gaat te ver," zeide hij met aangenomen strengheid, «ik kan niet dulden, dat gij in zulke uitdrukkingen van een edelman spreekt, in wiens huis ik verkeer; geef dus oogenblikkelijk rekenschap van uw gezegden, of" — zijn dreigende blik deed Eelco verbleeken — «of ik zal die vraag voor getuigen moeten herhalen."

Reinout voerde zelden een strengen toon, en dreigde nooit; daarom maakten die woorden een grooten indruk op zijn dienaar, die wel wist, dat het aan zijn meester stond ze ook tot daad te maken, üp zeer onderdanige wijze hernam hij: «nu dan, het is lang geleden, en Uw Edelheid zal mij wel niet verraden; als het dus wezen moet" — hij trad naderbij — «ik vertelde wel eens, dat ik veel gezworven en menigen meester gediend heb."

«Ja."

Sluiten