Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat gij dat nu eerst bedenkt,' antwoordde ik meewarig, maar hij lachte en riep: ,hebt gij geloofd, dat ik in ernst zulk een verbintenis gesloten had?' ,Ja ik ben den weg naar zekere kerk nog niet vergeten,' gaf ik geraakt ten antwoord, doch hij viel mij in de rede en hernam snel: ,dat huwelijk was onwettig.'

«Sprak hij waarheid?" vroeg Reinout met spanning, en Eelco zon op ieder ander tijdstip uit dien toon van belangstelling hebben opgemaakt, dat zijn meester niet onverschillig voor de personen van zijn verhaal kon wezen, nu echter was hij te veel in zijn herinneringen verdiept om hierop te letten, en vervolgde op zijn eigen wijze: »ik stond hem verbluft aan te kijken, en dat deed hem weer lachen, maar het was een wonderlijke lach. ,Hebt gij nooit van schijnhuwelijken gehoord?' vroeg hij. Dat had ik niet, en hij vertelde mij dus, hoe men voor een som gelds wel een priester kon vinden, die in schijn al de ceremoniën van een wettig huwelijk voltrok en toch iets waarop het juist aankwam wegliet, met andere woorden, die iemand door de groote poort naar binnen en door een achterdeurtje weer naar buiten liet glippen. ,Dat is dan een vervloekt gemeene streek,' riep ik, want ik wist toen nog niet, dat het onnoodig is, zijn tong tot omroeper van alle verloren zaken te benoemen; de woorden waren nog goedkoop bij mij en ik gaf ze vóór die gelegenheid weer duchtig uit. Hij zal er zich wel niet aan gestoord hebben, want kort en goed, hij had de jonge deerne bedrogen en liet mij merken, dat ik nu maar zwijgen moest, wat in mijn belang was ook; ik had immers de lfand in de zaak gehad, en als ze uitkwam, zou ik er waarschijnlijk meer voor boeten dan hij. Het schijnt met sommige straffen als met het wieden te gaan; ze houden het mes zoo laag bij den grond, dat alleen het kleinste onkruid er onder raakt.

Ik zeide dus dat ik zwijgen zou, en hij wilde mij een belooning geven, maar — ik ben niet bijzonder preutsch, want het geld weet niets van de handen, waardoor het gaat — maar dat geld heb ik nooit gewild, er hingen mij toch te véél tranen aan. Ik geloof dat hij mij wel had willen verscheuren, toen ik hem dat antwoordde, maar hij dorst mij niets doen. ,Zorg slechts, dat gij zwijgt,' sprak hij, ,er zijn meer sloten dan krakende deuren.' Daarmee keerde hij mij den rug toe en ging haastig heen; of hij veel goeds in den zin had, weet ik niet, maar wel dat ik dacht hoe het beter zou zijn als wij elkander maar niet weer ontmoetten, en dat is dan ook gebeurd. Ik heb hem niet weergezien voor hedenmorgen, want als dat niet mijn edelman is, dan wil ik mijn geheugen voor afbraak verkoopen. Aan zijn uiterlijk zou ik hem niet herkend hebben, maar de stem, die had ik uit duizenden onderscheiden; juist zoo sprak hij altijd met

Sluiten