Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Silvia intusschen knoopte daaraan ook nog andere practische gedachten vast, evenals aan het warme pleidooi dat de vorstin gevoerd had voor Edward. Onbekend met de staatkundige verwikkelingen van het haar vreemde land, had de Italiaansche toch wel eens v<in gehoorzame werktuigen gehoord, die hun geluk aan de regeering verschuldigd waren en haar daarom blindelings moesten dienen; huwelijken met schoone, getrouwe hofdames waren zeer goede middelen daarvoor. Noch de landvoogdes noch zij had met een enkel woord op zulk een hijbedoeling gezinspeeld, maar Edward zou geen weigerend antwoord ontvangen, dat wisten beiden, en — zij wisten ook waarom.

Een uur later zag het er in Silvia's boudoir zeer veranderd uit. De schoone eigenares had allen peinzenden ernst van haar trekken verbannen; stralend van vreugde zat zij daar, en leunde haar hoofd tegen de borst van den gelukkige, die de betuiging van haar liefde ontvangen had. Silvia was verloofd, en zooals zij op dit oogenblik in Edwards arm rustte, had de verbeelding zich geen schooner paar kunnen wenschen, om de gedachte van trouw en genegenheid erin uit te spreken. Alle voorrechten van jeugd en bevalligheid schenen zich hier te verbinden; de vroolijke zonnestralen, die het vertrek binnenstroomden, verlichtten niets wat van smart en somberheid gewaagde. Edwards lippen zongen geen »het daghet uit den Oosten," maar brak niet thans een werkelijke dageraad van zaligheid aan? had hij, wanneer de vraag in hem was opgerezen, zich zelf niet moeten zeggen, dat de bruid, die hij thans omvatte, heerlijk genoeg was om elk offer te rechtvaardigen, ook dat waaraan die zang hem herinneren moest?

Zulk een vraag echter kwam niet in hem op. De gedachte aan Helene en de dagen, met haar doorleefd, lagen ver achter hem. Zijn genegenheid voor de jonkvrouw van Vredenborg was altijd met zekeren eerbiedigen schroom gemengd, en die liefde weerstaat zelden een hartstocht, zooals meer wereldsche indrukken die opwekken, inderdaad, zij heeft iets van de wijding der kerk, het is een half schuwe aanbidding, die aan haar altaar neerknielt, maar gelijk er een tijd komen kan, waarop de knie, die eens voor het hemelsche outer boog, zich voor zeer aardsche godheden kromt, zoo leert ook de ziel, die eens zulk een bovenzinnelijke liefde voedde, vaak al zeer spoedig een gevoel kennen, dat niet op eerbied berust. Het is niet zeker, dat zij nooit meer tot het gebed van vroeger zal terugkeeren; misschien als de blijde zangen harer vreugd in smartelijke klachten overgingen, dat zij zich weder naar de verlaten gewelven wendt, maar nu is het altaar leeg en de wierook brandt niet meer; enkel feestkaarsen zijn ontstoken.

Sluiten