is toegevoegd aan uw favorieten.

In dagen van strijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze brandden helder op dit oogenblik. Duizend zoete, innige woorden weerklonken in het van zonneschijn vervulde vertrek, totdat Silvia eindelijk oprees, en met teedere aandrang zeide; «thans moogt gij niet langer blijven, ik moet naar de landvoogdes en haar alles vertellen."

Een omarming vol hartstochtelijk geluk volgde; dan rukte zich Edward met moeite los, terwijl Silvia hem nog eens haar liefelijksten glimlach schonk. Zij bleef hem met een uitdrukking van bekoorlijke teederheid nastaren, tot de klank zijner voetstappen wegstierf; toen wierp zij zich met een diepen zucht op de lluweele rustbank neer, en de donkere oogen werden weer koel en lusteloos, terwijl haar hand, die nog pas met zoo innigen druk in die van den jongen man gerust had, achteloos langs haar gewaad neerzonk.

Zij was zeker vermoeid, althans zij haastte zich niet naar de landvoogdes, maar bleef in deze gemakkelijke houding liggen, ook toen de deur zacht werd geopend, üe binnentredende was haar vertrouwde, Lucia, en dat deze alles weten zou, betwijfelde zij geen oogenblik. Het was ook niet noodig, want de kamenier begon terstond op haar vleienden toon: »en gij zijt dus verloofd, signora mia?"

Silvia knikte.

»IIij is niet zoo aanzienlijk als signor Nivelde, maar —"

De hofdame sloeg lusteloos haar oogen op. Onverschillig viel zij haar getrouwe in de rede: »de menschen hier zijn allen gelijk, koud als hun nevelige hemel en bevroren als hun rivieren. Waarom zou ik hem afwijzen, terwijl er geen betere is om aan te nemen?" Zij schikte zich behaaglijk in de lluweelen kussens en vervolgde: »Per Dio! als ik denk hoe een Italiaan zou doen! die Noordsche sentimentaliteit is toch kostelijk. De goede jongen vroeg zoo angstig, alsof mijn hart een juweelenkistje was, dat wel reeds gestolen kon zijn;" Silvia's lach klonk helder door het vertrek.

De kamenier wachtte tot deze bui van viool ijk beid voorbij was, en vroeg toen koeltjes: »en voor hoe lang zijn we nu de gelukkige bruid ?"

»Voor zoolang we niet getrouwd zijn, of — tot het niet meer noodig is."

»Dan hoop ik het laatste," merkte Lucia aan, »ik zou ongaarne voor goed in dit land blijven."

»Dat zal toch wel moeten; ik weet niemand hier die om mijnentwil naar Italië zou gaan; ze zijn op hun slooten gesteld als de modder, die op den grond er van kleeft, en kennen niets verrukkelijkers dan uit hun hooge huizen te kijken, en tot het naaste hoogehuiste zeggen: goeden dag buurman, de lucht boven ons is vandaag juist zoo grijs als ze gisteren was."