Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bracht, welke bij een minder hooggeboren sterveling met een ruwen naam zou zijn aangeduid, maar in het woordenboek der edelen als een door geestrijke vochten geprikkelde levendigheid omschreven werd. De uiting hiervan bij Mansfeld bestond in een wonderlijke neiging om alle op zijn weg staande palen of boomen te omarmen, terwijl hij Reinout voor het geval van zijn ondergang — hij achtte verdrinken op dat oogenblik voor zich de waarschijnlijkste wijze van sterven — zijn geheel vermogen vermaakte, welke belofte, daar hij nu geen goederen bezat en zijn vader hem voor 't vervolg onterven wilde, voor iemand in zijn omstandigheden al heel bezadigd mocht heeten. «Welk een heerlijk gevoel!" herhaalde Meerwoude, zijn kamer opzoekend, »o groote Sophokles, waarom hebt gij de menschen schaduwen zonder inhoud genoemd, terwijl de meesten zulk een overvloeienden inhoud van walgelijkheid bezitten? En dat zijn dan de wezens, met wie en om wie men leeft! dat zijn uw gelijken of uw meerderen!" Hij wierp zich in zijn zetel, en een uitdrukking van de walging, die zijn woorden aan den dag legden, teekende zich ook op zijn gelaat, doch de wolk van zijn voorhoofd klaarde spoediger dan gewoonlijk op. «Viale's waarde gunsteling is nu ten minste onschadelijk gemaakt," sprak hij, »en dat is voor 't oogenblik de hoofdzaak. Gelukkig te zijn met een [mooi gezicht, welk een leeg gemoed is daarvoor noodig! Nu moogt gij u nog een poosje in de glorie uwer schoone Silvia verheugen en dan — hij voltooide den zin niet, maar zijn trekken vulden het ontbrekende aan ; ze spraken van iets dreigends, dat Edward weinig goeds voorspelde.

Hoe of Helena de zaak zal opnemen? dacht hij bij zich zelf. Hij had zich wel gewacht haar de verloving mee te deelen; zijn scherp verstand zeide hem te goed, dat de man, die een vrouw het vreeselijkste bericht brengt, slechts gevoelens van bitterheid in haar borst zal wekken, ook al is hij onschuldig aan de smart, die het haar veroorzaakt. De tijding, die een voormaligen huisgenoot betrof, moest haar toch wel geworden, mogelijk door Edward zelf.

Hij had vermeden haar in de laatste dagen te bezoeken, juist om niet de zaak, waarover zwijgen in 't oog zou loopen, te moeten aanroeren, en hij rekende na, hoe lang het nog noodig wezen zou te wachten, toen Eelco hem zeggen kwam, dat de baron van Vredenborg een boodschap had gezonden met verzoek of Meerwoude den volgenden morgen bij hem zou willen komen; hij zelf was door ongesteldheid aan zijn woning gebonden. De wensch bevreemdde Reinot. Helene kon, dacht hij, als ze werkelijk groote smart voelde,

Sluiten