Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegelijk sprak daar nog een andere stem: »zij is niet grooter dan elke andere vrouw, haar kennis mag boven die uitsteken, haar hart is even eng en klein." Hij twijfelde niet, dat zij uit spijtigen hoogmoed nu met vreugde elke toenadering van zijn kant zou begroeten, maar die zekerheid verkoelde juist de gevoelens, welk hem daartoe hadden kunnen aanzetten. Neen, ook zij beantwoordde niet aan de ideale gestalte, die zijn fantasie zich in lang vervlogen jongelingsdagen geschapen had, toen hij nog al wat zijn verbeelding schoons en reins kende in de vrouw had kunnen leggen, ook een liefde, die groot genoeg was om het bitterste leed te verdragen, om zich zelf' versmaad te zien — en te vergeven. Op onverschilligen toon hernam hij: «volgens Nivelde is er geen boosaardiger, gevoelloozercoquette, maar Nivelde spreekt als medeminnaar, en het is dus natuurlijk dat hij zoo oordeelt."

«Natuurlijk?"

»Ik stel het mij zoo voor: ik ben nooit in de positie van een versmaden minnaar geweest, doch ik denk ook dat ik dan niet veel anders kon doen."

Zij zag hem met een diepen, smartelijken blik aan. «Gij hebt nooit liefgehad," zeide zij zacht.

Haar woorden trollen Reinout als een teleurstelling, en toch deden zij hem wonderbaar aan; dat had hij niet verwacht. Een gevoel van zelfverwijt over het strenge oordeel, dat hij zooeven geveld had, kwam in hem op, terwijl zij met haperende stem vroeg: «nietwaar, gij gelooft niet dat zij boos en gevoelloos is ? — zij — zij zal hem gelukkig kunnen maken ?"

Die stem zoo vol angst en liefde, die oogen zoo weemoedig vragend naai' hem opgeslagen, ze zeiden hem, dat ook de smart haar genegenheid niet had kunnen verstikken, en dat hij nog even ver van zijn doel verwijderd was als te voren, maar op dit oogenblik voelde hij slechts een oneindige blijdschap door zijn borst gaan. Zij was toch edel en sterker dan hij gemeend had, hij vergat voor eenige seconden, dat haar liefde niet hèm gold, en zag alleen de schoonhied dier liefde. Terwijl zij zóó voor hem stond, zoo diep ongelukkig en toch zoo bezorgd voor Edwards geluk, terwijl hij zag hoe zwaar haar de smart viel, en hij wist dat niemand buiten hem een woord van troost tot haar kon spreken, want niemand dan hij kende haar leed, had hij een opwelling van verlangen om haar bij te staan, die alle zelfzuchtige plannen scheen te verdlijven.

Helaas, het was niet meer dan een opwelling. Op het gevoel van deelneming en eerbied, dat voor haar sprak, volgde een ander in zijn hart, dat de nauwelijks geopende lippen weder sloot, het gevoel,

Sluiten