Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wat hij in haar bezitten zou. Zijn hoogmoed had zich tot nog toe door de voorkeur, die zij aan Edward schonk, beleedigd geacht; dat hij" dezen zou kunnen benijden, was nooit in hem opgekomen. Hij wilde Edward van haar liefde berooven, maar niet om die genegenheid zelf te ontvangen; hij meende, dat liet hem geen moeite zou kosten Helene de zijne te noemen, en daarom had hij er nooit aan gedacht veel waarde aan haar bezit te hechten. Nu voor het eerst zag hij, dat zijn trots had gedwaald, dat zij met ganscher ziele aan een ander hing, en dat zijn aanzoek slechts een weigering vinden zou. Een gewaarwording, zooals hij nooit voor haar gekend had, rees in hem op. Hij wist nu, dat zij hem vrijwillig nooit een anderen naam dan van vriend zou schenken, dat hij opgehouden had vriend te zijn. Terwijl zijn blik den hare ontmoette en daarin de geheele diepte van haar teederheid las, was liet geen hoogmoed, die hem verlangen deed zulk een blik op zich te zien rusten. Uit die groote schoune oogen, uit dat gelaat, door de smart met een uitdrukking bezield, nooit te voren daarop gezien, sprak een taal, voor welke de onbaatzuchtige gedachten van troosten en steunen geen stand hielden.

Neen, als hij Helene de zijne noemen zou, dan mocht zij nooit zelfs niet aan hem, het geheim harer liefde hebben bekend; hij mocht nooit weten dat hij, de heer van Meervvoude, een mededinger had gehad, en dat die mededinger Edward Melville, de dienaar van haar vader, was geweest; zulk een vernedering mocht hij. zich niet laten welgevallen, en — zij moest de zijne worden.

Helene vermoedde niet welke denkbeelden in hein omgingen, zij zou anders met een nog zwaarder iiart op de toekomst gestaard hebben, want de warmere belangstelling, die plotseling in zijn borst voor haar was ontwaakt, bedreigde haar met een leed, grooter dan zelfs zijn afkeer had kunnen doen.

Er waarden op dit oogenblik in de Vredenborgsche woning niet dan sombere gedachten rond. Zelfs Filips scheen daarmee vervuld, want toen Reinout het huis verlaten wilde, kwam hem de jonge man met een zoo bedrukt gezicht tegen, dat hij verwonderd vroeg wat hem deerde.

»Och, het is om vrouwe Margareet," klonk het verdrietig; »vvat denkt gij ? zou zij weg moeten ?"

»Dat weet ik werkelijk niet; waarom?"

«Iedereen spreekt er van; hebt gij nog niets gehoord ?"

»A1 sedert een jaar; gij ziet, de zaken haasten zich hier niet. Waarom stelt gij daar zooveel belang in?"

»YVeet gij dan niet dat ze mij een aanstelling aan haar hof beloofd

Sluiten