Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gelijk iedereen in zulke omstandigheden doet, trachtte hij zich bij zijn eerste waarnemingen te overtuigen dat zij op een vergissing berustten, spoedig echter kwamen zij hem toch al te juist voor om ze op deze wijze weg te cijferen, en de Burge's gedrag had de laatste mogelijkheid daartoe weggenomen. Hij voelde dat de edelen hem als bij afspraak met deze terughouding behandelden, de volkomen overeenstemming in hun manieren en woorden liet daaraan niet twijfelen, en vol pijnlijke verwondering vroeg hij zich af, wat de oorzaak van dit plotseling ontwaakte wantrouwen — een zachter naam kon hij er niet voor vinden — mocht wezen, maar zijn peinzen was vergeefsch. Hij kon geen zelfbeschuldiging uitspreken, die de handelwijze zijner bekenden rechtvaardigde, en zoo moest hij van de oplossing dier onaangename raadsels afzien, toen een snelle stap, die naast hem weerklonk, zijn gedachten op een nieuw spoor bracht. Het was de heer van Dalvilliers, die zijn groet vluchtig beantwoordend hem voorbij wilde gaan, en eensklaps schoot het Edward te binnen, of zijn koel en achteloos gedrag tegen dezen misschien de verandering kon bewerkt hebben, die hij nu zoo pijnlijk moest ondervinden. Met snel beraad trad hij op den edelman toe. «Heer van Dalvilliers," begon hij, »ik vrees tot een misverstand aanleiding te hebben gegeven, dat mij zeer ter harte gaat; van uw rechtvaardigheid verwacht ik een verontschuldiging voor mijn handelwijze, wanneer ik ..

»Gij behoeft geen verontschuldiging," viel hem de aangesprokene in de rede; »het misverstand was geheel aan mijne zijde, en ik kan ter verschooning van mijn onjuist oordeel alleen aanvoeren, dat de omstandigheden toen nog niet zoo luid gesproken hadden, dat een vergissing in u even onmogelijk was, als die thans zou wezen."

»Ik weet niet wat gij meent," antwoordde Edward, »maar ik voel dat uw gezegde door denzelfden geest van wantrouwen wordt ingegeven, dien ik sedert kort overal tegen mij bemerk; het is niet ridderlijk iemand een vijandschap te betoonen, waarvan men hem de oorzaak verzwijgt; van u verwacht ik een verklaring van dien plotselingen omkeer."

»Mij dunkt, dat de verandering uwer positie die overbodig maakt."

»l)e verandering mijner positie? Ik begrijp u niet." Edwards verbazing was te duidelijk om niet allen schijn van veinzerij weg te nemen, en hij vervolgde op een toon van onmiskenbare ontroering: »ik bid u, zeg mij wat gij bedoelt, want bij al wat heilig is, uw woorden zijn mij zoo onverklaarbaar als dit geheele gedrag."

Dalvilliers zag hem een oogenblik vorschend aan; toen hernam hij minder stroef: «misschien zijt gij zelf de bedrogene, en er is

Sluiten